De nieuwe editie van Briefgeheimen is uit! Bestel hier.
Weekgeheim
Weeklog van Wim Brands
Broer
Niemand kan zo goed dreiging beschrijven als Ian McEwan. De duistere krachten die in geheime delen van onze hersenen actief zijn. Onlangs werd bekend dat hij een broer heeft.
McEwan ontdekte het in 2002. Maar deed er het zwijgen toe. Begin dit jaar bracht een lokale krant het naar buiten. Dave, zo heet de broer. Zijn vader, David McEwan, was de minnaar van de moeder van de broers.
Hoe dat zat?
Toen haar eerste man in Normandie was gesneuveld tijdens de Tweede Wereldoorlog trouwde ze alsnog met David McEwan en kreeg ze Ian. De broer ging al die tijd door het leven als Dave Sharpe. Hem werd pas later verteld dat hij was geadopteerd maar dat was dan ook alles.
Toen de moeder merkte dat ze in verwachting was - van Dave - raakte ze in paniek en bood het kind ter adoptie aan. Dit alles geschiedde in het diepste geheim, alleen een zuster wist ervan.
McEwan is iets overkomen dat alleen in derderangs romans gebeurt las ik in de kwaliteitskrant. Ik dacht het niet, eerlijk gezegd. Ik denk dat hij in een verhaal van zichzelf is terecht gekomen. Ga maar na: hoe was dat huwelijk tussen de moeder en David McEwan? Ik bedoel, de moeder wist toch dat hun eerste kind ergens onder een andere naam leefde. Werd ze door hem bezocht in haar dromen?
En waarom hield de schrijver zijn broer geheim, nadat hij in 2002 het nieuws hoorde?
Het was trouwens de broer die ontdekte wie zijn echte vader en moeder waren. Na zijn zestigste ging hij op zoek en kwam via het Leger des Heils terecht bij Rose McEwan, zijn moeder. Zij kon hem niet verder helpen, ze had Alzheimer.
De zuster bracht uitkomst.
Ik zie Dave voor me, op bezoek bij zijn moeder. Ik hoor zijn vragen, haar lege antwoorden en zie een scène uit een nog te schrijven roman van Ian McEwan.
Voornaam
Het was na elven 's avonds. Er zaten niet veel mensen in de trein, er lagen ook nergens kranten die ik kon doorbladeren, zodat ik een beetje verveeld om me heen keek. Net als de man tegenover me. We raakten in gesprek – het soort gesprek dat je kunt hebben met een vreemde. Mooie gesprekken soms, omdat je openhartiger kunt zijn dan tegenover vrienden of familie. Je hebt niks te verliezen, de kans is klein dat je de gespreksgenoot ooit nog tegenkomt.
Zo heb ik 'ns lang gepraat met een oudere vrouw tijdens een treinreis van Rome naar Amsterdam. Ze vertelde me in détail over haar gezin en over haar man die dodelijk ziek was.
De man die nu tegenover me zat zei dat hij binnenkort naar Denemarken ging. Daar woonde zijn moeder, het was haar geboorteland, ze was ooit naar Nederland verhuisd toen ze zijn vader, een Nederlandse man, tijdens een vakantie had ontmoet. Zijn vader was nu dood. En zij was teruggegaan naar Denemarken.
Heimwee? wilde ik weten.
Nee, heimwee was het woord niet. Na de dood van haar echtgenoot was ze weer in contact gekomen met een Deense man met wie ze in haar jeugd een verhouding had gehad. Vlak voor ze zijn vader ontmoette was die relatie stuk gegaan. Eigenlijk was ze toen halsoverkop met de Nederlandse man getrouwd. Via via was ze achter het adres van haar oude Deense geliefde gekomen. Eerst mailden ze met elkaar, toen waren ze elkaar gaan bellen, tenslotte hadden ze elkaar weer ontmoet, en ja, hoe moest je het zeggen, ze hadden na tientallen jaren de draad weer opgepakt.
'Eigenlijk,' zo zei de man tegenover me, 'is ze altijd verliefd gebleven op die Deen. Ze sprak er alleen nooit over. Ook nu niet. Ik stel er ook geen vragen over. Dat ligt moeilijk. Ik kan ook niet zeggen dat mijn vader en zij een slecht huwelijk hadden, integendeel.'
De trein stopte, hij stond op. 'Ik begrijp nu wel,' zei hij, terwijl hij zijn tas pakte, 'waarom ik een Deense voornaam heb.'
Wat ze geheim hield
Ze belde haar kennis die haar en haar vriendin sinds jaren maandelijks naar de rivier bracht; naar de bocht wilde ze deze ochtend, naar de grutto's
net terug uit Afrika. Ze stond alleen op het tuinpad.
Haar vriendin was ziek, mompelde ze.
Gretig keek ze naar de grutto's
die rondliepen alsof ze nooit waren weggeweest.
's Middags belde ze hem om te te bedanken, om te vertellen dat haar vriendin was overleden.
Opeens vermoedde hij dat ze die ochtend al dood was, dat zij naar de bocht wilde alsof ze er nog was -
zoals een grutto doorvliegt als zijn geliefde is gedood.
Terugtocht
Ik vertaalde een kort gedicht van de Duitse schrijver Sebald:
Er wordt beweerd dat Napoleon
kleurenblind was; groen zag
als het rood was.
Ik keek toe hoe de troepen van Napoleon door het naburige bos trokken, sloot mijn ogen en hoorde het briesen van paarden, kreten, het gekreun van gewonden. Ze kwamen terug uit Rusland. Argwanend gageslagen gedemoraliseerde troepen zijn levensgevaarlijk. Vooralsnog waren de soldaten in gevecht met de modder.
Vreemd. Deze terugtocht zat ergens verstopt in mijn geheugen. Als een echte herinnering.
Ik weet ook wel dat ik er niet bij was, toen, in de negentiende eeuw, maar mijn geheugen zegt van wel. Herinnering is een hond die gaat liggen waar hij wil, merkte Cees Nooteboom ook.
Sommige herinneringen blaffen, zeker als ze vals zijn.
In het afgelopen weekeinde las ik het mooiste boek dat ter gelegenheid van deze boekenweek - die in het teken staat van de ouderdom - verschijnt: 'De heimweefabriek', van de Groningse hoogleraar Douwe Draaisma, geheugenspecialist.
In het boek staat een interview met Oliver Sacks. Ook Sachs herinnert zich levendig een gebeurtenis waar hij niet bij was. Namelijk hoe hij als kind getuige was van een bom¬bardement. Maar, zo ontdekt hij, dat is onmogelijk.
In werkelijkheid was hij tijdens dat bombardement ergens anders. Hij had het verhaal gehoord van een familielid en dat verhaal had zijn geheugen zich toegeëigend.
Opeens wist ik hoe Napoleon in mijn hoofd kwam.
Op zondagmiddagen kregen mijn grootouders bezoek van een stokoude man. Op zo'n middag vertelde deze man over de terugtocht van de troepen van Napoleon. Zijn grootouders hadden dat gezien. Hij kon goed vertellen en besteedde veel aandacht aan de details: hun kleren, hun ingevallen wangen, kanonnen die kantelden in de modder.
De terugtocht werd als een filmpje opgeslagen in mijn hoofd. Alsof ik er bij was geweest.
Zo zitten er meer geheimen in mijn hoofd.
Allemaal verzonnen
In de map met de oogst van de laatste tijd viel me iets merkwaardigs op. Een paar inzenders bekenden dat ze al een paar keer kaarten met verzonnen geheimen hadden ingestuurd. Wat moet ik daar van denken?
Het verhaal van de psychiater schoot me te binnen. Een man komt bij een psychiater ja, dit begint als een mop, maar dat is het niet.
Goed, de psychiater vraagt wat er aan mankeert. De man vertelt over zijn jeugd. Hij is opgegroeid in een door God verlaten streek waar het vaak waait, waar nauwelijks mensen wonen en waar het leven zwaar is.
Zijn leven was van meet af aan niet alleen zwaar door deze omstandigheden, hij werd ook nog eens opgevoed door een vader die hem meestal geen blik waardig keurde en nooit genegenheid toonde. Hun conversatie was woordloos, knikken met het hoofd maakten de dienst uit.
Hij woonde al weer jaren in de stad, maar de laatste tijd merkte de man dat hij last begon te krijgen van die jeugd. Alsof er een ijskoud kacheltje in zijn hoofd stond. Hij werd soms ook overvallen door vlagen van agressie. 'Ik zie dan bijvoorbeeld een oud vrouwtje lopen,' zei hij, 'en dan komt er zo'n vlaag. Ik wil haar tot moes slaan.'
'Wat vindt u ervan,' vroeg de man aan de psychiater.
'Problematisch,' was het antwoord.
Waarna de man in lachen uitbarstte. En zei: 'Allemaal verzonnen.'
De psychiater keek hem aan en zei rustig: 'Het schijnt me nu toe dat uw problemen nog groter zijn dan ik aanvankelijk dacht.'
Don't hang up
Don't hang up, heet het project van BBC radiomaker Mark Burham. Hij belt 's nachts met telefooncellen over de hele wereld en spreekt met wie maar opneemt: een Engels tienermeisje, op de hielen gezeten door de politie, een Australische transseksueel of een politieman in Florida. Prachtige gesprekken, over geheimen die 's nachts zoveel makkelijker over de lippen komen.
Burham begint telkens netjes te vertellen dat hij voor de BBC werkt, maar de sprekers - beschut in hun anonieme telefooncel - vergeten de radio en spreken vrijuit. Zo vertelt de transseksueel dat ze net haar vriend in de gevangenis heeft bezocht.
Wat bevalt je het meest aan hem, vraagt de verslaggever.
Alysha: 'Z'n spieren. Hij kan me beschermen.'
'Waarvoor zit hij, als ik dat mag vragen...'
Alysha: 'Zware mishandeling, geloof ik.'
Wat me deed denken aan een telefoongesprek dat ik kortgeleden zelf had. Een onbekende oude vrouw vroeg of ze stoorde. Na mijn nee begon ze over het weer, dat het zo'n mooie dag was, en stelde vragen over mijn kinderen. Hoewel we elkaar helemaal niet kenden waren haar recht op de man af vragen niet vrijpostig. Dat kwam door haar aangename stem.
Ik hoorde dat ze 84 was en aan bed gebonden door een verlamming. Waarom belde ze eigenlijk? Was ze zo iemand als mijn oude tante, die soms een willekeurig nummer toetste als ze om aanspraak verlegen zat?
Zo was het met deze oude dame niet. Ze bleek Jehova's getuige. Collega's van haar waren die middag bij mij aan de deur geweest. Ik was niet thuis geweest.
Aan het eind van elke dag kreeg ze de adressen van de afwezigen. En dan probeerde ze alsnog telefonisch te getuigen.
'Maar eigenlijk,' verklapte ze, 'wil ik met mensen praten, anders lig ik maar alleen in bed.'
Mijn dochter was op de lagere school bevriend met Tui, een meisje dat dierenarts wilde worden. En zangeres. We noemden haar de zingende dierenarts. De moeder van Tui kwam oorspronkelijk uit Nieuw-Zeeland en besloot op een dag om terug te gaan, ze was Nederland om verschillende redenen beu. Mijn dochter en Tui besloten dat ze elkaar elke week een brief zouden schrijven.
Mijn dochter was zo jong dat ze nog niet goed begreep hoe de posterijen precies werken, zo bleek toen ik haar probeerde uit te leggen hoe een brief in Nieuw-Zeeland terecht komt. Ze dacht dat zo'n brief uit de bus wordt gehaald, dat de postbode vervolgens naar een vliegtuig fietst, meevliegt, en dan aan de overkant van het water verder fietst totdat hij bij het huis van Tui is. Bovendien verkeerde ze in de veronderstelling dat dit alles zich binnen een dag voltrok. Boos ging ze die avond naar bed.
Naarmate de tijd verstreek kwam de klad in de correspondentie. Bovendien werden de brieven van Tui, nog steeds bont versierd, steeds onleesbaarder. Haar Nederlands verbleekte en werd uiteindelijk Engels.
Wat bleef was een geheim dat mijn dochter en Tui deelden. Ze hadden samen een hut gehad - aan die hut bewaarde mijn dochter mooie herinneringen. Nee, ze wilde niet zeggen waar die hut zich bevond.
Totdat we op een dag langs een grote doorvaart in de stad fietsten en mijn dochter zei dat ze nu eigenlijk ook wel kon vertellen waar die hut was geweest.
Ze wees naar een sluis en zei toen: op die sluisdeur.
Elke keer als ik de sluis sindsdien passeer maakt mijn hart nog steeds een sprongetje.
Hun geheim
Deze steen, waarop haar voeten al jaren rusten,
elke zondagmiddag aan de rivier,
haar benen zijn te kort,
is zijn teken van liefde –
ze was kwaad toen hij de witte steen
voor het eerst uit de achterbak tilde
maar zo was zijn teken van liefde,
precies zoals een fout dat kan zijn:
een steen door het ijs zodat
de ratten kunnen ademen.
De broers
De buurman ontdekte dat de drie broers in een totaal vervuilde boerderij woonden, overal lagen lege flessen jenever. Ze spraken wartaal. Ze werden naar een psychiatrische inrichting gebracht. In de inrichting deden ze er het zwijgen toe. Ze spraken niet, ook niet met elkaar. Het waren nooit grote praters geweest. Een van hen had wel een paar woorden met de buurman gewisseld als hij 's middags de lege melkbussen aan het eind van het bospad kwam ophalen.
Meestal over het weer.
Het grote zwijgen brak aan. De medische staf tastte in het duister. Een behandeling viel niet te bedenken.
Naar bezigheidstherapie gingen ze braaf, maar ze ondernamen niets. Een van de broers pakte soms een brok klei op, alsof het een steen was.
Ze waren goede boeren geweest, hun voorvaderen ook eeuw na eeuw. Wat was er gebeurd?
Een verpleegster, een meisje dat oorspronkelijk uit hun buurtschap kwam, ontraadselde het geheim. De broers hadden tientallen jaren samengeleefd met hun zuster: zij onderhield de boerderij, zij kookte. Toen ze stierf sloeg de chaos toe.
De verpleegster gaf de broers kooklessen, leerde hen hoe je een huishouden voert.
Na drie maanden mochten ze weer naar huis.
Steen
Elke zondagmiddag maakten ze een tochtje, elke zondagmiddag hetzelfde tochtje. Naar de rivier.
Ze gingen dan op een bankje zitten, keken naar het roestbruine water en aten boterhammen.
Haar voeten rustten daarbij op een grote witte steen.
Dat ze klein was, was geen geheim. Dat zagen zelfs haastige voorbijgangers.
Zo was hij op het idee gekomen om 's zondagsmiddags die steen voor haar mee te nemen.
Zodat ook zij plezierig op het bankje kon zitten, zonder dat haar benen doelloos bungelden.
De steen kwam uit Zwitserland, ze hadden hem meegenomen van hun enige buitenlandse vakantie.
Maar dat wist niemand.
De steen was een geheime herinnering.
Helder mysterie
Koos Breukel maakte foto's van Jan Wolkers, aan het einde van zijn leven. Ik merkte dat ik ernaar stond te kijken als naar schilderijen van Rembrandt. Toen herinnerde ik me dat de fotograaf Hans Aarsman een hekel heeft aan fotografie die verwijst naar schilderkunst. Inderdaad, Rembrandt.
Ik stond in de hal van het Amsterdamse fotografiemuseum Foam, waar ik eigenlijk was gekomen voor het werk van een jonge Amerikaanse fotografe, de veel geprezen Taryn Simon. Uit de toelichting: 'Voor An American Index of the Hidden and Unfamiliar inventariseert Taryn Simon wat binnen de Verenigde Staten verborgen en verscholen ligt. Zij vindt haar onderwerpen binnen de wetenschap, de overheid, de geneeskunde, entertainment, de natuur, de beveiliging en religie, en legt deze vervolgens op uiterst nauwgezette wijze vast.'
Dat beloofde wat. In dit zelfde museum wilde ik ook nog het werk van de Amerikaanse persfotograaf Weegee gaan zien, die het leven in New York registreerde. Maar eerst de geheimen van Taryn Simon, besloot ik.
Toen zag ik haar foto's.
Het tijdschrift Playboy in braille.
Een meisje, doek over haar hoofd, in een operatiestoel.
Een beer, in winterslaap.
Waren de foto's geheimzinnig, zag ik wat meestal verborgen blijft? Nee, ik moest telkens het bijschrift lezen, anders wist ik niet wat ik zag. Het werk van de inmiddels al bekroonde Taryn Simon berust op een misverstand.
Dus toen toch naar de tentoonstelling van Weegee, de hardboiled persfotograaf. Weegee fotografeerde graag reacties, ik citeer: 'Wanneer hij er op uit werd gestuurd om een brand te fotograferen, koos hij liever voor een opname van het gezicht van een huilende vrouw wier kinderen gevangen zaten in een vlammenzee.'
En toen stond ik opeens voor die foto van een echtpaar, met tussen hen in een huilend meisje. Hun dochter, denk ik. Ik dacht niet aan Rembrandt, de foto had ook geen toelichting nodig. Ik keek naar een helder mysterie.
Spinnen
Een week geleden vond ik haar op een plastic tas, in een hoek voor ons huis. Ze lag daar wel vaker, maar nu lag ze anders. Hoe moet ik het zeggen? Als een kat zonder veerkracht, als een kat die niet meer kan spinnen.
Ze gaat dood, dacht ik.
's Avonds was ze dood.
Saartje kwam van een boerderij. Ze gedroeg zich ook als een plattelandskat.
De wereld was haar kattenbak.
Ze was ongenaakbaar.
Geheimzinnig.
Soms zag ze je staan en mocht je haar aaien.
Ze hield van buiten. Als het nog niet eens helemaal donker was stond ze al voor de deur. 's Ochtends, luid schreeuwend in de voortuin. Met aan haar voeten een dode vogel, een dode muis, soms een mol.
Zij was de koningin van de buurt. Dat wisten ook de andere katten, de zwervers niet uitgezonderd. Op een dag zag ik haar strijd leveren met een grote witte zwerfkat met maar een oog. Ik had het beest eerder gezien. Een imposante vechtjas.
Saartje kromde alleen haar rug. Dat was voldoende.
Nu ik dit opschrijf denk ik terug aan het moment dat ik haar vond, in die hoek voor het huis. Ik aaide haar. Ik wist dat ze dood ging. Ik kom ook van het platteland.
Hoeveel pijn ook, ze begon te spinnen.
Op onverwachte momenten hoor ik haar,
groter dan de dood is het spinnen van Saar.
Gevonden tekst
Bij mij om de hoek vond ik eens een briefje op straat:
Ik zoek zieke en dode vogels; ik woon in de Knollendamstraat.
Wie had het geschreven? Een kind, dat leek wel zeker. Een meisje of een jongen? Wie het ook was, hij of zij wilde een vogel om in een schoenendoos te bewaren.
Ik heb het briefje lang bewaard.
Bij m'n vaste antiquariaat kocht ik een boekje dat verwant is met Briefgeheimen. Het heet: 'P.S. u wordt vanaf de platenwinkel in de gaten gehouden! Gevonden briefjes op straat.' En het is samengesteld door de Amsterdamse bibliotheekmedewerker Frank Verbeek, een verzamelaar die ook een website heeft.
Hieronder wat regels uit zijn gevonden briefjes:
Wie is het aardigste van het spreekuur?
Hallo heren, prettig weekend; veel regen.
Mijnheer, zou u willen vragen u te spreken;
zal bij een keet wachten.
Joop, kijk goed uit voor Jampie.
Ik hou van.
Dit is herenzeep.
Moet ik dit slot openzagen om weg te komen?
Veel liefs en dank voor al het moois in die 24 jaar.
Ik verklaar dat ik vanavond niet zal gokken.
Jetzt ist es soweit!
Dit is een goed boek.
Een heel goed boek.
MELK!!!!!
In zijn boek ‘Nieuwsgierigheid’ beschrijft Roland van der Vorst hoe hem in New York wordt aangeraden naar een bepaald hotel te gaan omdat je daar de 'lekkerst denkbare' hamburger kan eten. Hij gaat erheen en vraagt naar de hamburger.
Verbaasde blikken.
Die staat niet op het menu; kom zeg, een hamburger?
Als Van der Vorst weg wil gaan ziet hij vanuit een ooghoek een glimp van een lange rij, achter een gordijn dat kiert, in een uithoek van het hotel. De lekkerst denkbare hamburger was omgeven met geheimzinnigheid. Doelbewust.
Het verhaal riep een andere geheimzinnige actie op, uit de jaren zestig. Op de muren van een stadje stond op een ochtend overal het woord MELK gekalkt. Alleen dat ene woord, MELK. De bewoners besteedden er geen aandacht aan. Melk kenden ze, bovendien was er een melkfabriek in de stad.
Maar toen staken geruchten de kop op.
Er zou giftige melk in omloop zijn. Er zouden doden vallen. Sterker nog: er waren al doden gevallen. Na een paar dagen dreigde er een wilde staking in de melkfabriek.
MELK.
Het woord bleek op de muren gekalkt te zijn door Guy Debord en zijn volgelingen. Parijse revolutionairen. De zelfden die bedachten dat onder het asfalt het strand ligt.
Ze wisten hoe weinig er voor nodig is om spektakel op te wekken.
Het geheim van de verteller
Vijf mannen met gebroken ledematen lagen er in de ziekenhuiskamer. Vier van hen konden niet naar buiten kijken. Daarom vertelde de man die aan het raam lag voortdurend wat hij zag. Bijvoorbeeld hoe elke ochtend een vrouw haar kind naar school bracht. Het kind stribbelde tegen, de vrouw werd boos. Of hoe op de hoek van de straat een bejaarde stond die gepofte kastanjes verkocht. Maar nooit kocht iemand een zakje, zodat hij aan het einde van weer een geldloze dag zijn kastanjes aan de straathonden voerde, die tegen de schemering tevoorschijn kwamen. Toch keek de verkoper altijd vrolijk uit zijn ogen.
Ook was er een jonge man die regelmatig voor de etalage van een parfumerie stond te kijken. Waarom? De zieken bedachten redenen. Had hij weinig geld en zocht hij een betaalbaar cadeautje? Was hij verliefd op een verkoopster? Zo verzonnen de ze elke dag weer gretig verhalen als de raamligger hen nieuwe observaties doorgaf over de vaste personages in de straat.
Het doodde de tijd. Sommige gebeurtenissen hielden de zieken dagen bezig. Wat te denken van het volgende: op een middag wilde opeens een meisje kastanjes kopen. Dat was nog nooit gebeurd, een klant. Het meisje zei iets, de verkoper schudde 'nee'. Ze wees naar de kastanjes, weer schudde hij 'nee'. Teleurgesteld liep ze weg.
Die een nacht overleed de man aan het raam.
In de dagen daarna overlegden de vier overgebleven mannen met een verpleger wie van hen er aan het raam mocht liggen. De jongste werd gekozen, hij had de scherpste ogen.
Maar toen hij voor het eerst in het bed lag bleef het stil. Na tien minuten had hij nog niets gezegd. Toen het een half uur werd hielden de anderen het niet meer. Ze bestookten hem met vragen: nou, wat zag hij?
Zijn antwoord klonk vlak.
Niets zag hij, echt helemaal niets; het raam keek uit op een blinde muur.
Wandeling
Vaak loop ik door het Amsterdamse Westerpark, en verder, langs de spoorlijn richting Sloten. Een paar jaar geleden verschenen daar opeens kleine bouwwerkjes in de berm, van gestapelde stenen. Niet achteloos gestapeld, er stak duidelijk een bedoeling achter.
Ook in de Pyreneeën heb ik veel gewandeld. Het Franse gedeelte ging altijd moeiteloos, daar kreeg je de kans niet te verdwalen. Om de zoveel meter stond een bordje, om te voorkomen dat je niet voor het donker thuis was. Over de grens moest je alert zijn. In het Spaanse gedeelte waren geen aanwijzingen meer. Als je een pad nam kon het zijn dat het helemaal geen pad was. In Spanje hadden de wandelaars daarom zelf een systeem bedacht: gestapelde stenen, om de twintig meter een stapeltje, die wezen je het pad.
Alle wandelaars onderhielden de route. Weer en wind deden hun verwoestende werk maar werden gecorrigeerd. Ik heb toch gauw zo'n twintig stapeltjes hersteld in de loop der jaren.
Maar wat was toch de bedoeling van de bouwwerkjes in het Westerpark? Ik kon het geheim niet doorgronden.
Tot ik een kennis sprak die een tijdlang boven een kringloopwinkel in de buurt woonde. Hij kwam uit een echte Amsterdamse familie: een paar van zijn ooms waren uitsmijters geweest op het Rembrandtplein. Een ander was voor de oorlog een goede bokser. Er liepen een paar zangers in de familie rond. Hij sprak liefdevol over ze. Nog wekelijks vergezelde hij een van de ooms naar het casino, de man werd tenslotte een dagje ouder.
Mijn kennis kon zelf trouwens ook goed boksen. En, hij maakte kunst. Een mooie combinatie, vond ik.
Ik weet niet hoe we op de stenen kwamen, maar ik wist dat hij ook geregeld in het Westerpark kwam, dus vertelde ik hem over wat ik gezien had.
Dat weet ik toch, zei hij. Hij had de stapels zelf gemaakt, binnenkort ging hij er weer mee verder. Hij werkte 's ochtends vroeg, voor dag en dauw, of 's avonds, na de schemering.
Waarom? vroeg ik. Wetend dat ik met mijn waarom weer eens een deur dichtgooide, zoals waarom eigenlijk altijd de deur dichtdoet.
Hij haalde z'n schouders op, en liep weg.
Buurt
Er bestaan keurige Amsterdamse buurten. In die waar ik een tijdje een zolder bewoonde had zelfs de groenteboer een universitaire opleiding. Nooit hoorde je op straat een onvertogen woord. Er was alleen een hoekhuis dat uit de toon viel. Voor de ramen hingen gordijnen die in geen eeuwen meer gewassen waren, in de vensterbank lagen dode vliegen.
Er was daar, zo wist mijn buurman, een snackbar geweest. Maar de eigenaar ging failliet. Rare plaats voor een snackbar. Dit was geen omgeving voor patateters, daarvoor moest je aan de overkant van de drukke straat zijn.
In de paar maanden dat ik de zolder bewoonde werd het opeens - het was eind mei - drukkend warm. Zelfs in deze buurt zaten steeds meer mensen op straat.
Het was toen dat ik de voormalige snackbarhouder voor het eerst zag. Hij had piekerig haar, zat op een keukenstoel van rotan, en knipte zijn nagels op de stoep.
Ik vond het een geruststellend beeld: mijn grootvader knipte ook altijd na het zaterdagse bad zijn nagels, hij gebruikte zelfs een keer een nijptang om een kalknagel te knippen. Nog meer verbazing wekte de snackbarhouder de volgende dag: hij begon zijn huis schoon te maken.
Wat hem bezielde werd later die week duidelijk: op een vrijdagavond zette hij zijn oude sandwichbord op straat, de snackbar was weer geopend.
Maar niemand ging naar binnen. Niemand wilde. En wie uit nieuwsgierigheid toch een poging overwoog, zoals ik, zag daar uiteindelijk van af omdat de snackbarhouder als een wraakzuchtige poortwachter naast zijn bord zat.
Niet lang na deze avond vertrok hij uit de buurt.
Marskramer
Bij ons op het dorp kwam om de twee weken een marskramer aan de deur. Een kleine, nerveuze man die knopen, garen & band verkocht. Ik was bang voor hem. Bang, omdat ik niet wist waar hij vandaan kwam. Bang, omdat hij je altijd zwijgend aankeek als hij op de stoep stond. We kochten nooit iets. Mijn moeder gaf hem een glas water, als hij daar om vroeg.
Later hoorde ik dat hij in Zutphen woonde, in een achterbuurt. Op een zolder, samen met zijn moeder en zijn zuster. Dat waren helse wijven. Hij had er geen leven. Die achterbuurt bestaat niet meer, het is nu een chique winkelstraat geworden.
De zolder brandde op een dag uit. Dat hoorde ik van een buurtgenoot, die me ook vertelde dat de marskramer nu tijdelijk in een woonwagen aan onze beek bivakkeerde. Ik ging direct kijken. Het verhaal klopte.
Op een middag ben ik naar de woonwagen toegeslopen. Ik herinner me dat nog goed omdat ik sindsdien weet wat het betekent als je hart in je keel klopt.
Maar mijn nieuwsgierigheid was groter dan mijn angst. Zo groot zelfs dat ik - nadat ik ontdekt had dat hij niet thuis was - de deur van de woonwagen opende en naar binnen ging. Het interieur zie ik nog voor me: een houten tafeltje, een stoel, op de grond een luchtbed met een paar dekens. Op het kleine aanrecht stond een butagasstelletje.
Hoe bleef deze man in leven? Ik weet zeker dat ik vanaf die middag geen romantische dromen meer koesterde over een zwervend bestaan.
Grootvader
De vader van mijn moeder was boer. Begin jaren zestig ging hij failliet en werd verbannen naar de fabriek. Klagen deed hij niet, maar hij bleef dromen over een boerenbestaan. Tijdens onze zondagse wandelingen liep hij door zijn verleden. Roemde de vruchtbaarheid van zijn bunders grond. Noemde de namen van zijn paarden.
Hij leek op de grootvader uit 'Wie knippert is bang voor de dood', de roman van de Deense schrijver Knud Romer. Het dorp waar Knud opgroeit is zo klein dat je erdoorheen bent voor je er erg in hebt. In de zomer ruikt het naar mest, in de winter naar suikerbieten. Ik kom ook uit zo'n dorp.
Over z'n grootvader schrijft Knud Romer: 'Het was typisch voor het optimisme van grootvader van vaderskant dat hij een buslijndienst opende in een stadje dat te klein was en op een moment dat de mensen geen geld hadden. Het duurde niet lang voordat de nieuwigheid eraf was. De bus bleef leeg'.
De vader van mijn vader was niet zo'n dromer. Een paar keer per jaar zetelde hij tijdens verjaardagen in de rookstoel in onze voorkamer. Veel zei hij niet, af en toe leverde hij bitter commentaar op wat een ander had gezegd. Zijn zinnen balden zich tot verwensingen. Een voornaam leek hij niet te hebben. Soms werd hij aarzelend 'vader' genoemd.
Hij was een grootvader die als twee druppels water leek op de grootvader van moederskant van Knud Romer: 'Papa Schneider is de strengste persoon die ik ooit heb gekend, hij vertegenwoordigde alles wat streng en hard was of wat pijn deed. Hij was het bovenste knoopje in je overhemd. Hij was de tanden in de kam wanneer je natte haar werd gekamd.'
En: 'Ik geloof niet dat er überhaupt iemand was die wist hoe hij heette of die daarover nadacht. Mijn grootvader droeg het als een vreselijk geheim met zich mee'.
Geheime ruimte
Een typisch New Yorks probleem: ruimtegebrek. De Amerikaanse journalist Geoff Manaugh verzamelt radioverhalen die er mee te maken hebben. Hij kwam op het idee nadat een vriend hem dit - volgens hem veelzeggende - verhaal had verteld.
Een man komt op een avond na een dag keihard werken thuis en moet nodig naar het toilet. Wat hangen er toch veel jassen bij hem in huis! Op weg naar het toilet duwt hij er een paar opzij en ontdekt opeens een deur. Als hij die opent komt hij in een kamer waarvan hij het bestaan niet had vermoed. Een gemeubileerde kamer.
Het verhaal deed me denken aan mijn eigen geheime kamer. Op een dag liep ik door een van de weilanden van mijn grootvader. Met een stok in de grond prikkend hoorde ik opeens een metalig geluid. Ik haalde een schop en stuitte al snel op een putdeksel. Die deksel kon ik makkelijk opzij schuiven.
Ik had een kelder gevonden van het oude huis van mijn grootouders. Dat huis was voor de oorlog na een blikseminslag afgebrand. Mijn grootouders en hun twee kinderen hebben toen een jaar lang in een varkensschuur gewoond.
Mijn grootvader kon daar mooi over vertellen. Vaak haalde hij herinneringen op aan het oude huis, een kloosterboerderij, waarin ook een logement was gevestigd. In dat logement sliepen meestal marskramers, voor bijna niks. Een paar keer per jaar kwam er ook een zwervend echtpaar aangewaaid. Ze waren aan de drank en mochten voor niks in het hooi slapen. Als ze maar eerst hun lucifers inleverden.
Ik heb mijn grootouders niet verteld dat ik de kelder had gevonden. Hij werd mijn geheime schuilplaats.
Het Briefgeheimenboek werd zondagmiddag 7 oktober gepresenteerd in het Haagse Museum voor Communicatie, het oude Postmuseum. Wat een collectie! Nu interesseert alles wat met post te maken heeft me. Dat begon jong.
Opeens - terwijl ik door de gang liep waar honderden geheimenkaarten tegen een blauwe achtergrond worden tentoongesteld - zag ik al die kaarten aan ballonnen door het luchtruim zweven.Natuurlijk! Ik verzamelde ballonkaartjes. Het begon toen ik er een in een weiland vond. Het door weer en wind geteisterde handschrift kon ik alleen met de grootste moeite te ontcijferen. Maar het lukte. De afzender was iemand uit Zwitserland. Er overviel mij een groot geluksgevoel - en vanaf dat moment verzamelde ik ballonkaartjes. Zomaar, zonder me af te vragen waarom.
En waarom schiet me nu het plan van VPRO-collega Peter Flik te binnen? Peter wilde een kleine camera aan de poot van een ooievaar bevestigen, zodat wij op aarde heel zijn tocht zouden kunnen volgen.Weer dat gevoel van geluk.
In de tuin ontmoette ik de directeur van het museum. Maar juist voordat ik hem kon vertellen hoe ik geheimenkaarten aan ballonnen door heel Europa wilde jagen nam hij het woord. Hij vertelde dat het museum is gebouwd in een tijd dat ze nog niet goed wisten hoe ze beton moesten storten. En nu zat hij met de zorgen. En in dit gebouw, ging hij verder, zaten nota bene vroeger vrijmetselaars!
Het was de mooiste dag van het najaar. Vrijmetselaars? Ballonkaartjes? Ik was terug in de tijd dat ik ze verzamelde. En zat bij een bekende van mijn grootouders die aan de rand van het bos woonde. Ze kon goed vertellen. Op een avond vroeg ze me of ik wist wat vrijmetselaars waren. De hereboeren in de omgeving waren dat, zei ze. Wat ze precies uitspookten, geen idee, behalve dat er geheimzinnige dingen gebeurden tijdens hun jaarlijkse bijeenkomsten: elk jaar na het grote diner stierf er een vrijmetselaar. De streek was op die manier veel hereboeren kwijt geraakt. Banger dan ooit stond ik die avond buiten.
De bandleider
Hij was de smerigste zwerver die in die dagen in Amsterdam rondliep. Lang touwhaar, kleren die stijf stonden van het vuil. Gaten in die kleren boden zicht op grauwe stukken huid.
Als ik zeg 'rondliep' maak ik een fout. Meestal stond hij stil, ergens tussen het Centraal Station en de Dam. Als een standbeeld. Het was lang voor de tijd dat mensen als standbeelden gingen poseren om geld te verdienen.
Wat ging er door z'n hoofd? Geen idee. Wel weet ik dat hij, hoe vies ook, niet op de andere zwervers leek. Waar zat hem dat in? De nederigheid ontbrak. Hij kon eruitzien als een bevelhebber die in zijn domein rondloopt.
Later, toen hij opeens uit het straatbeeld verdwenen was, sprak ik iemand die hem gekend had. Hij was muzikant geweest. Jazzmusicus, om precies te zijn. En een goede ook. Hij had met zijn band nog in het Concertgebouw gespeeld. Z'n bed leek toen gespreid. Maar rond dat bed waren steeds vaker naalden gevonden. Zo werd hij een zwerver die niet meer aan zijn verleden herinnerd wilde worden.
Korte tijd na dit verhaal stond hij opeens weer voor me. Het was een herfstige dag, bij een snackbar sprak hij me aan. Ik hoorde die stem weer. Ja, de nederigheid ontbrak. Maar er was meer. Hij kende het geheim van het bedelen, zoals het me later werd uitgelegd in een tekst van de Franse sur¬realist Antonin Artaud.
Nooit smeken, zei Artaud. Geld vragen doe je trots, met geheven hoofd. Zodat het een verplichting wordt je geld te geven.
Precies zo deed hij het.
Een bandleider weiger je geen tientje.
De Amerikaanse kunstenaar Douglas Huebler had een mooi motto: De wereld is vol voorwerpen, die in meerdere of mindere mate interessant zijn; daaraan wens ik niets toe te voegen. Hij is de godfather van Briefgeheimen en verwante projecten. Ik heb een kleine bloemlezing samengesteld uit zijn project Variable Piece 4: Secrets. Het dateert uit de jaren zestig.
Toen ik vier was heb ik een kat vermoord.
Ooit at ik duizend spruitjes.
Mijn vader bedelde. Dat heb ik nooit aan iemand verteld.
Ik denk niet dat ik nog van mijn man houd.
Ik ben Jezus.
Ik denk dat ik onder mijn gezicht een baard heb.
Ik ben een groene Marsbewoner; tot nu toe heb ik 5021 aardbewoners gedood. Mijn leider zonder vrees heet Loochie Bala Boochie.
Ik ben bang voor de afspraak die ik vanmiddag heb met een maatschappelijk werker.
Hij heeft zelfmoord gepleegd.
Ik werd verliefd op m’n moeder.
Ik ben bang om over mezelf te praten.
Een gemene, ongevoelige dame bewaakt deze machine.
Ik maakte Gary’s gitaar stuk, niet John.
Ik leef illegaal in dit land.
Er is een lerares op school waaraan iedereen een hekel heeft; ze wordt de oude heks genoemd, hoewel ze nog helemaal niet zo oud is. Het punt is dat ze volgens mij een een goede lerares is. Wanneer m’n vrienden vragen wat ik van haar denk zeg ik verschrikkelijk, hoewel ik haar wel mag. Maar ik ben bang dat ze me voor gek gaan verslijten.
Stalker
Op de televisie volgde ik de zoektocht naar het vierjarige Engelse meisje dat dit voorjaar tijdens een vakantie in Portugal verdween. Haar ouders startten een mediacampagne. Overal in Europa hingen posters, wie wist iets?
Laatste nieuws: nu zijn de beide ouders verdachten.
Het deed me denken aan een man die ik kende. Als hij verliefd was wist hij zich geen raad. Hij zag zijn nieuwe vriendin regelmatig, maar hij belde haar ook, te pas en te onpas. Dat bellen deed hij vreemd genoeg zonder zich bekend te maken. Als hij haar antwoordapparaat kreeg sprak hij niets in.
Zij werd bang. Wie was de stalker? Ze schakelde de politie in. Uiteindelijk bekende haar nieuwe vriend op een avond dat hij de beller was. Ze geloofde hem niet.
Ik schreef daar een gedicht over:
Hij was verliefd
en belde haar soms tien keer
op een dag.
Soms vlak nadat hij haar zag
of tijdens een ontmoeting.
Ben zo terug.
's Avonds luisterde zij steeds
banger na haar antwoordapparaat
en hoorde een zee.
Wie zou het zijn, vroeg ze zich af.
De man die naar haar lachte
in de tram,
de huisgenoot die dacht dat
James Last klassieke muziek
maakte en zo
bloosde als hij haar zag, of
de man die in het vrijwel lege
buurtcafé
verontwaardigd naar haar stoel
had gewezen en zei dat zij
op zijn stoel zat,
of toch gewoon een onbekende
die vond dat ze mooi liep
Want dat doe ik toch?
Nee, zei hij, luister naar
die tik, in een zee van
blik, dat ben ik.
Ze lachte en zei: ik hou
van jou; en zei: laten we
samen wachten tot hij belt.
Tommy
Thomas Montgomery is een Amerikaanse fabrieksarbeider en een goede vader. Hij bracht zijn dochters zo vaak naar zwemles dat hij werd gekozen tot vice president van het zwembad. Maar de man die hij in de spiegel zag beviel hem niet: 45 jaar oud, kalend, buikig.
Op Internet, in een chatroom, werd hij daarom iemand anders: Tommy, een 18 jarige marinier. Tommy kreeg contact met Jessica, al snel Jessi, een 17 jarig meisje uit Virginia.
Al snel buitelden de fantasieën over elkaar. De moeder van Tommy bleek overleden aan kanker. En hij zag na het verkrachten van een cheerleader nog maar één uitweg: het leger in. Al snel vocht Tommy in Irak.
Thomas Montgomery stelde nu ook de vader van Tommy aan Jessi voor. Die vader leek verdacht veel op hemzelf. Jessi kreeg te horen dat ze berichten voor Tommy maar beter eerst naar zijn vader kon sturen. Die kon zijn zoon in Irak namelijk sneller digitaal bereiken.
Montgomery was zo vol van zijn nieuwe liefde dat hij over haar vertelde op zijn werk. Hij zei dat hij binnenkort zou verhuizen naar Virginia. Thuis zat hij dag en nacht achter de computer.
Toen kreeg zijn vrouw bij toeval een aantal berichten van Jessi onder ogen. Ze nam contact op met het meisje om haar te vertellen dat er geen Tommy was, dat haar man alles verzon.
Jessi benaderde vervolgens een vriend van Thomas die ze kende uit de chatroom: Barrett. Barrett bevestigde dat Tommy loog.
Thomas was woedend. Nu ben ik voor iedereen op de fabriek een loser, meldde hij aan Jessi.
Jessi bleef contact houden met Barrett, maar ook met Tommy - ze vond het moeilijk de waarheid onder ogen te zien.
Toen werd Barrett opeens vermoord. De politie arresteerde Thomas, die overigens tot op de dag van vandaag ontkent dat hij de dader is.
De politie ging ook op zoek naar Jessi. Ze vonden haar.
Jessi bleek een 45 jarige moeder.
(bron Wired)
Rodinksky
Bij een bezoek aan een van de weinige synagogen die Oost Londen nog telt hoorde Rachel Lichtenstein voor het eerst over David Rodinsky. Het gerucht ging dat hij jarenlang boven de synagoge had gewoond. Hij was een soort conciërge geweest, een huismeester, die kleine klusjes deed. En diep religieus.
Anderen zeiden dat hij heel excentriek was en veel talen sprak. De meesten wisten zich te herinneren dat hij daarboven alleen woonde, hoewel een enkeling beweerde dat zijn moeder en zuster een tijdje bij hem hadden ingewoond. Niemand wist iets met zekerheid.
Er was een man die Rodinsky in restaurants had zien jongleren met lepels, in ruil voor koffie en een broodje. Anderen herinnerden zich hoe hij altijd met een zekere zwier geld gaf aan bedelaars in de buurt.
Iemand had hem in een net geopend Indiaas restaurant zien zitten eten. Wat volgens iemand anders onmogelijk was: hij was orthodox.
Verwarrende verhalen.
Over een ding was iedereen het eens: op een dag in 1969 had Rodinsky z'n kamer verlaten en was nooit meer teruggekomen. Die kamer werd tot in de jaren tachtig door niemand meer betreden. Vele jaren stonden daar zijn vuile borden op tafel. Omringd door boeken en notities. Zijn bed onopgemaakt, of hij net was opgestaan. Een vettig hoofdkussen.
Lichtenstein, die later een boek schreef over Rodinsky, bezocht de kamer. Ze bekeek de oude grammofoonplaten, de lege flesjes bier. En de vele verspreide papiertjes met berichten of aantekeningen. In verschillende talen, zag Lichtenstein. Vermoedelijk in een code die Rodinsky zelf bedacht had.
Nasi
Nadat zijn vrouw was verongelukt zagen zijn buren hem slepen met huisraad. Kloppers zette een stoel, een tafel en een bed bij het kippenhok dat al twintig jaar leegstond. Het was kort na de begrafenis.
Weer een paar dagen later begon hij het hok op te knappen. Toen hij daarmee klaar was, verkocht hij zijn huis en land. Met de nieuwe eigenaar sprak hij af dat hij in het kippenhok mocht wonen en dat hem nooit het recht op overpad betwist zou worden. Op zijn oude brommer reed hij een paar keer per week over het modderige pad dat naar de weg slingerde.
Voor het treinongeluk was Kloppers al geen aardige man, erna werd hij nog onvriendelijker. De vaste drinkers in Onder de Linden lieten hem dan ook met rust als hij een doodenkele keer aan de bar plaatsnam en zwijgend twee biertjes dronk.
Maar tegen sluitingstijd was hij een vast gespreksonderwerp. Altijd ging het over zijn geld. Het stond niet op de bank, wist een buurman, Kloppers vertrouwde niemand meer nadat het noodlot had toegeslagen. Het verhaal ging dat hij de biljetten had verstopt in het bos, in lege nasiblikken met plastic doppen.
Nasi at hij elke dag. Elke dag een blik, van hetzelfde merk, waarvan hij eens per maand grote hoeveelheden insloeg. Elke dag bakte hij ook twee eieren. De blikken en de eierschalen werden een steeds grotere berg bij het kippenhok.
Intussen bleef Kloppers veehandelen. Dat handelen was voor hem hetzelfde als ademhalen. Elke week bezocht hij de zelfde markten. Het vee dat hij kocht, joeg hij een paar dagen lang in het weiland van een boer die dat oogluikend toestond. Totdat hij de dieren doorverkocht. Volgens de vaste drinkers in Onder de Linden moesten er ergens in het bos zo langzamerhand toch wel honderd nasiblikken met geld verborgen liggen.
Hoewel hij altijd contant handelde, gaven de meeste boeren hun transacties keurig op aan de belastingdienst. Die zich in de persoon van een jonge ambtenaar op een maandagochtend meldde bij het kippenhok van Kloppers. De dienst had volgens zijn gegevens nog vele tienduizenden van Kloppers tegoed, zei de inspecteur.
Kloppers zweeg.
Hij nam het woord pas toen de belastingman voor de derde keer begon uit te leggen hoeveel hij moest betalen en waarom:
'Luister man, ik heb niks. Ja, een valse hond, een solex, een kippenhok'.
Hij wees ook nog naar de berg blikken en lege eierschalen voordat hij de deur dichtsloeg.
Wolven
We wandelden op zondagmiddag in het bos en als altijd kwam het moment dat een van de ouderen vroeg: 'Hoeveel herten heb je nou, Jannus?'
Jannus keek naar de vragensteller zoals mijn kauw naar een stuk brood: nieuwsgierig, gretig, maar ook op z'n hoede.
'Nou hoeveel?'
Hij zuchtte. Wist hij dat hij voor de gek werd gehouden? Of ergerde zoveel vergeetachtigheid hem? Hij had vorige week zondag ook al antwoord gegeven.
'Twintig,' antwoordde hij tenslotte. 'Het wordt tijd dat we er een paar afschieten.'
Jannus was familie, maar tegelijk ook niet. Al was het maar omdat niemand wist hoe hij en zijn lichamelijk gehandicapte vrouw zich in leven hielden. Ze woonden aan de rand van het bos. In een huisje dat nauwelijks boven de heg uitkwam. Op afstand bezien leek het wel of ze in die heg woonden.
Niemand wist waar Jannus vandaan kwam. Op een dag was hij getrouwd met Anna, waarvan niemand had gedacht dat ze ooit nog aan de man zou komen.
Jannus was een onoplosbaar raadsel voor de anderen. Daarom gingen ze graag met hem wandelen op zondagmiddag. Die anderen, begreep ik later, waren tobbers met vervelende banen die door het leven gingen met de pet in de hand.
Jannus daarentegen gedroeg zich als een landeigenaar uit een Russische roman.
'Hoeveel bos is er nou nog over?' vroegen ze hem na een storm.
En hij vertelde dat er een paar honderd bomen waren gesneuveld, maar dat er nieuwe aanplant werd geregeld.
Ik heb weleens gedacht dat hij doorhad dat hij bespot werd. Dat hij diep in z'n hart wist dat hij een fantast was. En zo arm als een kerkrat, de grond waarop z'n kippen en eenden liepen was niet eens van hem. Maar zelfs al was dat zo, dan nog was er een verlangen waaraan hij graag gehoor gaf.
'Weten jullie,' zei hij op een zondagmiddag, 'ik overweeg om een paar wolven in dat bos los te laten. Wat denken jullie ervan?'
Jan Wassink
Vlak voor de jaarwisseling kwam tweederde van het dak van de boerderij van Jan Wassink omlaag. Jan had het zelf, naar eigen zeggen, niet eens gehoord. Hij sliep tussen twee kacheltjes in het kleine voorhuis. Onder twee dekens, zonder matras. Zo sliep hij al sinds een jaar of tien, eigenlijk sinds zijn ouders kort na elkaar waren gestorven.
De buurman waarschuwde Jan. Die het wel geloofde.
Samen kochten ze een paar dagen later een caravan. Stel je voor dat ook het voorhuis dakloos werd.
Drie weken heeft Jan in de caravan gebivakkeerd, toen overleed hij; de dokter stelde een natuurlijke dood vast.
Op de begrafenis kwamen de buurman en een dominee, die zich niet zo goed raad wist met dit sterfgeval. Jan was een boerenzoon die geen boer had willen worden, maar iets technisch, zoals de buurman wist te vertellen. Hij was handig: hij kon alles repareren. En als er niks te repareren viel haalde hij voor zijn plezier zijn tractor uit elkaar om die vervolgens secuur, in een bedaard tempo, weer in elkaar te zetten.
Zijn ouders lieten hem.
Toen zij gestorven waren trok Jan zich nog meer in zichzelf terug. Hij stopte met repareren, niemand wist wat hij de hele dag uitspookte. Volgens de buurman keek hij naar een televisie die alleen nog maar sneeuw uitzond.
Niet lang voordat zijn dak instortte heeft de buurman hem voorgesteld eens bij het maatschappelijk werk langs te gaan. Misschien was het een idee als Jan in een tehuis kwam.
Jan hoorde het aan, deur op een kier, en knikte toen gevraagd werd of hij de volgende dag meeging naar het naburige dorp.
Wat er op die dag gebeurd is heeft niemand nadien weten te ontraadselen. Vast staat dat Jan het trouwpak van zijn vader had aangetrokken. Plechtig is hij achterin in de auto van de buurman gestapt. Met een vriendelijk gezicht heeft hij het verhaal van de maatschappelijk werker aangehoord, en kopjes koffie gedronken.
Maar, zei de buurman, wat we hem ook vroegen, hij deed geen mond open. Hij glimlachte alleen maar. Toen de buurman, in lichte staat van ontreddering, hem weer thuis afzette heeft Jan alleen kort gezegd: bedankt.
Vliegveldman
Sommige levens hoef je niet te dramatiseren. Zoals het leven van de Vliegveldman. Ik zag een reportage over hem op televisie. Hij verliet Iran in 1977 en zwierf een aantal jaren door Europa voor hij in 1981 officieel als vluchteling werd geaccepteerd in België. In 1988 strandde hij op een vliegveld in Parijs: zijn papieren waren gestolen, hij mocht niet doorvliegen naar Engeland. Daar bleef hij, op het vliegveld. Hij woont er nog steeds.
Steven Spielberg heeft zijn leven geleend voor een speelfilm. Ik heb die film niet gezien, hoef hem ook niet te zien. Ik vermoed dat Spielberg het leven van de Vliegveldman heeft gedramatiseerd. En dat is echt niet nodig.
Hij heeft op het vliegveld een vast tafeltje in een McDonald’s. Daar viert hij Kerst, aan dat tafeltje werd het 2000. Frans spreekt hij niet. Vrienden heeft hij niet, contact met anderen nauwelijks, hoewel veel mensen hem inmiddels kennen, zeker het personeel van het vliegveld. Hij droomt nooit, zegt hij.
In de reportage die ik zag werd hem gevraagd of hij niet verlangde naar buiten, naar zon, regen? Hij keek in de camera en antwoordde dat hij het weer wel kende. Hij had immers in Brussel gewoond.
Juristen hebben intussen voor papieren gezorgd, zodat hij weer binnen Europa kan reizen. Hij mag zelfs naar Amerika. Maar hij vertrekt niet.
Volgens een van de juristen is hij knettergek en speelt hij een spel, maar welk spel?
Eens zag ik in een film een man die midden op een druk kruispunt stilstond. Links en rechts werd hij gepasseerd. Hij bleef daar stilstaan, godweet voor altijd.
Soms is het antwoord op een waaromvraag eenvoudig. Te eenvoudig voor woorden.
De metrovrouw
Een paspoort, dat ze toevallig vond, maakte haar duidelijk waarom ze niet op haar ouders leek. Het was een geruststellende gedachte. Over haar echte moeder konden die ouders niet veel vertellen: een Spaanse was het geweest, die werkte als dienstmeisje in Zwitserland en een kind had gekregen. Dat kind was afgestaan en geadopteerd. Dat was alles.
Naarmate ze ouder werd vond ze dat al te summier. Ze wilde meer, meer verleden. Een hulporganisatie zou helpen haar moeder te vinden.
Al snel werd er een zus gevonden, ook geadopteerd. Ze ontmoette de zus en samen zochten ze verder naar hun moeder. Wie was ze? Waarom had ze twee kinderen afgestaan? Waren er meer kinderen? Was het onder dwang gebeurd?
Het bleef stil.
Toen meldde de organisatie dat de moeder gevonden was, in Parijs. Ze woonde op de zolder van een appartementengebouw.
De zusters gingen naar Parijs. Ze wachtten een ochtend lang voor een hek waarachter de trap lag die voerde naar het dienstverbodenvertrek van hun moeder. Na vele uren ging het hek open. Ze stonden oog in oog met een niet al te grote, oude vrouw. En meteen vuurden ze hun vraag op haar af: weet u wie we zijn?
De vrouw schrok, draaide zich met een woedende blik om en rende de trap weer op. Het hek viel achter haar dicht. Wat bezielde haar? Begreep ze dat het haar dochters waren die daar stonden?
De volgende ochtend kwamen de dochters terug en wachtten haar weer op, nu in een nis buiten het gebouw. Toen ze naar buiten kwam volgden ze haar naar een metrostation: de moeder bleek een abonnement te hebben, en zij? Ze waren vergeten vooraf kaartjes te kopen. Hoe nu?
De zusters hebben het zo gelaten. Het laatste beeld van hun moeder - als het tenminste hun moeder was: een vrouw die in een metrotunnel verdwijnt.
Paardengezicht
Onlangs ontmoette ik de Chinees-Amerikaanse dichter Arthur Sze. Hij maakt gedichten als het volgende. 'Paardengezicht' heet het, en het begint zo:
Een man in de gevangenis wordt paardengezicht genoemd maar doet niets
als iedereen in de kleermakerij scherpe koude scharen heeft;
hij herinnert zich de belediging maar lacht die weg. Terwijl hij lacht
draait een Cattaraugus Indiaan die een stalen steunbalk last
zich naar een schreeuw die samenvalt met de lach en glijdt uit
naar zijn dood. Ik trek een biertje open, een auto nadert een garage.
Een mooi, open gedicht. Het ademt, maar dat bedacht ik pas na het gesprek met Sze. Dat gesprek ging vooral ging over zijn leven, en dat van zijn ouders. Ze kwamen uit Peking en weken in de jaren dertig uit naar de Verenigde Staten.
Sze vertelde hoe hij in New York opgroeide. Wat hij zei deed me denken aan de schrijfster Ethel Portnoy die ook in die stad groot werd. Haar ouders spraken Jiddisch. Toen ze voor het eerst buiten haar buurt kwam leek het of ze in het buitenland was. En ook weer niet. Dat is de kracht van New York.
Net als de ouders van Portnoy, die uit Rusland kwamen, wilden de verwekkers van Sze dat hij vooruit kwam in het leven. En dat kwam hij: moeiteloos doorliep hij de middelbare school en werd toegelaten aan een gerenommeerde universiteit, waar hij techniek ging studeren. Riante vooruitzichten, maar Sze had andere plannen: hij wilde dichter worden. Zijn vader betreurde dat. Waarom nam zijn zoon niet de goede baan waarvoor hij was opgeleid?
De vader werd ziek. Hij bleek een hersentumor te hebben.
'Ik zat aan zijn bed,' vertelde Sze me, 'en hij zei opeens dat hij iets kwijt moest, iets wat hij me nooit eerder had willen vertellen. Hij zei dat hij het niet erg vond dat ik had gekozen voor de poëzie. Hij zei letterlijk: "Ik heb dit nog nooit aan iemand verteld maar eigenlijk had ik zelf dichter willen worden."'
Ik vond een Moleskine-notitieboekje terug. Ik had er een aantal gekocht toen ze - na een onderbreking van jaren - weer werden gemaakt. De boekjes zijn beroemd geworden omdat schrijvers als Hemingway en Bruce Chatwin ze gebruikten. En schilders als Van Gogh en Picasso.
Ze werden gemaakt in Frankrijk tot de fabrikant er mee ophield. Chatwin beschrijft hoe hij in een winkel in Parijs alle resterende exemplaren opkoopt. Zo kon hij notities blijven maken voor de boeken waaraan hij werkte. Zonder Moleskine-boekjes leek dat ondenkbaar. 'M'n paspoort verliezen was geen zorg,' zei hij, 'maar die boekjes!'
En toen lagen ze opeens weer in de winkel. Ik kocht er direct een stuk of tien. Hoe ze eruit zien? Ze zijn elegant en ze schreeuwen er letterlijk om beschreven te worden. Je kunt het niet anders zeggen.
In het exemplaar dat ik terugvond had ik maar een aantal regels gekrabbeld. Daarna was het kennelijk zoekgeraakt.
Ik probeerde te ontcijferen wat ik had geschreven. Het was of ik een tekst op een oeroude steen moest ontraadselen. En langzaam ontstond er een verhaal - hoewel het raadsel intact bleef. Blijkbaar had ik iemand afgeluisterd die telefoneerde. In de trein?
Dit is wat ik las:
Doodmoe ben ik. Ik ga straks op de bank liggen en dan val ik in slaap.
Nee, ik ben fout gekleed. Ik ben helemaal in het zwart. Dat mag niet.
Ik moet witte kleren aan, dat snap je toch wel?
Nou, iedereen is dus goed de kluts kwijt.
Ze zegt dus tegen mijn moeder, haar zus, weet je, ik ga even slapen.
En toen ze is daarna niet meer opgestaan.
Lezen
Ze had drie jaar school gehad maar ze wist veel. Ze bekeek de wereld zoals ze haar weilanden en landbouwgrond bekeek: voortdurend aan verandering onderhevig. Het was zaak niet in paniek te raken en door het stellen van eenvoudige vragen te achterhalen wat er aan de hand was.
Zo ontdekte ze bijvoorbeeld dat een van haar kalveren voortdurend ontsnapte omdat het dier gek werd van de omheining. Zodra de palen en het draad waren weggehaald kalmeerde het kalf.
Op vakantie was ze nooit geweest. Maar dat jaar zou het ervan komen, voor het eerst; een buurman zou op de boerderij passen en zij ging tien dagen naar Duitsland.
Ze liet me een kaart zien waarop je de route niet meer kon ontcijferen, zo driftig was ze erop in de weer geweest met een balpen.
Omdat ik elke dag met haar honden wandelde, kreeg ik de opdracht uit te zoeken wat ze in al die plaatsen zou kunnen gaan zien. Zelf had ze daar geen tijd voor, en nee, ik hoefde niets op te schrijven, ze had liever dat ik haar wat vertelde van de bezienswaardigheden.
Liever geen musea. Een tijdje terug was ze naar het plaatselijke museum geweest en daar had ze voortdurend de voorwerpen en schilderijen willen aanraken en dat mocht niet. Zitten in de museumtuin was leuk geweest, maar niet al te lang. Ze leek op dat kalf van haar. Je kon zeggen dat ze zo en zo laat daar en daar moest zijn, maar het was beter niks te zeggen. Dan kwam ze wel.
Toen vertrok ze. Ik had verteld wat ze kon gaan zien, ze wist waar ze heen moest, ze zou onderweg in restaurants eten.
Op de dag van haar geplande terugkeer werden kennissen gebeld. Ze zat op een politiebureau vijftig kilometer verderop. Niemand hoefde ongerust te zijn, ze had een fijne tijd gehad, maar op de terugweg was er iets misgegaan. Ze wist de route niet meer en toen was ze – rustig, zo was ze dan wel weer – achter een vrachtwagen met een Nederlands nummerbord blijven rijden.
Totdat ze in een Nederlandse stad kwam die ze niet kende, waar ze naar het politiebureau had gevraagd. Daar had ze even gehuild en toen haar geheim prijsgegeven: ze kon niet lezen.
De vallende man (3)
Mijn ouders hadden altijd ruzie met andere mensen. Ruzie was hun taal. Nu nog voelt mijn moeder zich kwetsbaar als ze vermoedt dat er in de directe omgeving geen loopgraaf is. Ik kreeg ruzie met hen. De aanleiding was zo banaal dat ik er nog steeds niet over durf te praten. Jarenlang zag ik hen niet. Ik wist dat ze dit eeuwen konden volhouden, ze waren niet anders gewend. Dus besloot ik om op een zaterdag met mijn hele gezin langs te gaan.
Tijdens de maandagnacht voor het bezoek droomde ik over mijn vader. We zaten in de keuken, hij stond op en zei dat hij de hond ging uitlaten, en of ik daarna het licht wilde uitdoen.
De volgende ochtend belde mijn broer: mijn vader had zelfmoord gepleegd. De avond ervoor had hij met mijn moeder naar een Krimi gekeken waarin iemand zichzelf doodschoot. ‘Zo doe je dat,’ had hij nog gezegd.
Die zaterdag zag ik mijn ouders voor het eerst sinds tijden weer: de ene dood, de overlevende deed alsof er nooit iets was gebeurd. De politie hield het op een shock, mijn broer en ik waren bang dat dit haar natuurlijke staat van zijn was.
Ik hield een toespraak voor een bomvol crematorium en verzweeg de vele jaren oorlog en schetste mijn vader als een man die een geheim met zich meedroeg. Misschien was dat ook wel zo. Dat geheim ligt nu onder een kleine steen, op verzoek van mijn broer. Voor mijn moeder had het niet gehoeven. Ik schreef het kaalste gedicht dat ik ooit schreef:
Ik bevind me op
113 km
en 23,40 m
van
de steen.
De vallende man (2)
Op een dag hield mijn vader op met praten. Hij zei alleen het hoogstnodige nog. En dat hoogstnodige had altijd een nare ondertoon. Hij kleineerde graag. Vragen aan hem bleven meestal onbeantwoord.
Alleen als zijn vader op bezoek kwam begon hij weer even te praten. Hij zag tegen die man op, en bleef dat doen, ook als mijn grootvader hem weer eens had toegesnauwd dat hij maar beter zijn kop kon houden, want wat wist hij nou welbeschouwd helemaal van techniek af...
Ik begon een patroon te ontdekken. Om van iemand te houden zal er toch iemand van jou moeten houden. Mijn vader ging ongeliefd door het leven, mijn moeder ook.
Ik probeerde mijn vader te begrijpen:
Mijn vader komt thuis. Iedere avond
fietst hij naar ons huis dat het zijne
niet is, hoewel hij dat jarenlang
wel heeft gedacht. Ik heb hem om die reden
veracht en hoop nu dat er ergens
een plek is
waar hij kan thuishoren: een strand
bijvoorbeeld vol stenen waarover
een trekker rijdt met in z’n kielzog
meeuwen die duiken in de verse voren
en vissen die zich bij vloed
aan die stenen vastzuigen.
Maar misschien heb ik het mis;
wil ik mezelf van het onmogelijke
overtuigen;
bestaat zo’n plek niet,
en is mijn vader uiteindelijk
de schreeuw van een vis.
De vallende man (1)
In het dorp van mijn vader woonde een man die zijn leven steeds groter probeerde te maken. Hij had het zelf niet eens meer in de gaten. Zo zat hij op een dag met een mooie jonge vrouw op een terras toen zijn vader langsliep. Ze begroetten elkaar. ‘Wie was dat,’ vroeg de vrouw. ‘O,’ antwoordde de fantast, ‘dat is mijn tuinman.’
Pas na de dood van mijn vader begreep ik waarom hij deze man zo bewonderde. Mijn vader had ook geen vrede met zijn leven, maar zijn leugens lagen altijd binnen enkele minuten als vissen op het droge te spartelen.
Mijn vader was een vallende man. Drie keer per week had hij een epileptische aanval. Hij zat altijd onder de schaafwonden. Over de oorzaken loog hij. Wat weer ruzies met mijn moeder tot gevolg had. Die begonnen tijdens de afwas en eindigden als ze oorverdovend zwijgend naar bed gingen. Dat kwetsen ook een vorm van intimiteit is, weet ik door hen.
Dat kwetsen kon ik dromen. ‘Ik had nooit met je moeten trouwen,’ zei zij dan.
En hij: ‘Maar je kon niemand anders krijgen.’
En dan begon zij aan een monoloog die hij lardeerde met sarcastische grimassen en die zij altijd met dezelfde slotzin beëindigde: ‘Klootzakken als jij overleven alles en iedereen.’
Het was moeilijk om genegenheid voor hen te voelen. Toch heb ik het geprobeerd toen ik een gedicht over een vader en een zoon schreef. Het was niet lang voordat hij stierf, in een tijd dat ik mijn ouders niet meer zag. Dat het eigenlijk over ons ging begreep ik later pas.
De Jas
Maar eerst is er een oude jas. Nu hangt hij
aan de kapstok, binnenkort wordt hij
verbannen naar het hok.
En eerst is er een avond waarop ik aarzel
naar buiten te gaan. Buiten is het koud.
In gedachten trek ik voor het eerst
die oude jas aan. Ik ben alleen op straat.
Wie had dat durven dromen. Ik kijk
in de ruiten en zie
voor het eerst mijn vader in deze stad lopen.
‘Waar ga je heen?’ ‘Nergens heen.’
‘Dan gaan we dezelfde kant op.’
Wickerfinn Lutz
Een paar achtergelaten koffers. Mappen met overdrachtsaktes. Een lekke bal. Twee stropdassen. Een strijkplank. Een tandenborstel. Een bruin kartonnen doos vol ballpoints van het merk BIC.
Het kantoor van de Braziliaanse ambassade oogde als de opslag van een voorgoed gesloten winkel. Op een tafel lag een bureaulade met een brief erin. Toen de nieuwe beambte opdracht kreeg om de spullen op te ruimen of weg te gooien zag hij de enveloppe eerst over het hoofd.
Op de derde dag van zijn schoonmaakactie - hij werkte traag - pakte hij de brief op. Zijn voorgangers hadden stempels op de enveloppe gezet. Er was koffie op gemorst. Iemand had een vraagteken onder de postzegel getekend. Maar niemand was op het idee gekomen om de brief te openen. De beambte aarzelde, zou hij? Na de middagpauze bekeek hij de brief weer. Las de naam van de geadresseerde, probeerde die uit te spreken.
Wickerfinn Lutz.
Opeens schoot hem de zakenman te binnen die een keer in zijn geboortedorp was aangekomen. Die had ook zo’n soort naam gehad. Uit Polen kwam hij. Hij vertelde de bewoners dat ze rijk konden worden als ze hem hun geld gaven. Hij zou het voor ze investeren in de aan- en verkoop van goud. De zakenman nam zijn intrek in een pension, bood diners aan en schetste gouden regenbogen. Een paar dorpelingen gaven hun spaargeld. Plechtig kregen ze officiële aktes overhandigd. De zakenman verdween na drie weken. Zijn grootmoeder had de akte ingelijst.
Wie was Wickerfinn Lutz?
Er stond ook een afzender op. Hij opende de brief. Leeg.
Het kwam zo: ik las over een project van kunstenaar Jason Dodge. Dodge stuurde enveloppen naar ambassades van verschillende landen, alle gericht aan een zekere Wickerfinn Lutz. Uiteindelijk werden ze vaak na lange tijd stuk voor stuk teruggestuurd. Met krabbels erop, tekeningen soms, vragen. Jason Dodge stelde ze tentoon. Hij liet ook zien welke weg de brieven hadden afgelegd.
Ik probeerde me voor te stellen dat ik één van de ontvangers was.
Het project van Dodge heette: The Disappearance of Wickerfinn Lutz. Wie Wickerfinn Lutz is weet nog steeds niemand.
Koperslager
Ik begon aan een verhaal van Ben Sijes, geschiedschrijver van de Nederlandse arbeidersklasse: ‘De koperslager had een geheim. Het vervulde zijn wezen, dag en nacht, op de fabriek en thuis. Daar genoot hij van. Het gaf hem warmte, het ontspande zijn spieren. Zijn geheim was het nieuwe gevoel dat zich op een dag aan hem had geopenbaard. Daarvoor had hij dat gevoel - of iets dat er op leek - nooit gehad. Of, als hij het had gehad, had hij er niets van gemerkt.’
Ben Sijes werkte bij het Instituut voor Oorlogsdocumentatie, hij schreef een studie over de Februaristaking. In het boek dat ik las roept hij herinneringen op aan het vooroorlogse leven in joods Amsterdam. Aan de Jodenkerkstraat bij voorbeeld, een straat berucht om zijn vechtersbazen, maar ook een familiestraat. Sijes beschrijft hoe op zomeravonden de bewoners zongen en dansten op de muziek uit een grammofoon die voor een open raam was gezet.
Toen ik aan het verhaal over de koperslager begon, dacht ik meteen aan Sal Santen, die ik wel ’ns bezocht. Santen, de beroepsrevolutionair die later schrijver werd. Voor mij is hij de portrettist van het vooroorlogse joodse Amsterdam.
Ik stopte met lezen, het verhaal van Sijes kon wachten. Ik zag mezelf weer zitten, in de bejaardenwoning van Santen, luisterend naar een man voor wie de oorlog nooit was opgehouden. Ik begreep het, maar ik begreep het natuurlijk niet, ik ben van na de oorlog.
Op zeker moment vertelde Sal hoe sommige dingen onbegrijpelijk bleven. Neem zijn broer, die had op de vlucht voor de Duitsers aangeklopt bij de ouders van een jongen met wie hij in dienst had gezeten. Of hij in de hooiberg mocht slapen.
Dat mocht niet, het was te gevaarlijk. Niet lang daarna werd de broer opgepakt. Was het, vroeg Sal Santen zich af, nou zo moeilijk geweest om die jongen een nacht te verstoppen? Een eenvoudige vraag, maar geef het antwoord maar eens.
Ik las verder over de koperslager. Het verhaal dat me bij Santen had gebracht. Ben Sijes vertelt hoe de koperslager, een getrouwd man, verliefd wordt op een andere vrouw die ook in de fabriek werkt. Deze joodse vrouw moet op een bepaald moment onderduiken. Wat te doen? Moet hij zijn echtgenote erin betrekken? Maar hoe kan hij dan zijn geheim bewaren?
Hij doet niets.
Op een dag komt er een brief, gevonden langs de spoorrails. ‘Doorgestuurd’, staat erop. De vrouw schrijft dat ze elke dag bidt hem nog eens te mogen zien. De echtgenote van de koperslager leest de brief ook, ze stelt vragen... Hij legt zijn geheim op tafel.
En dan staat er: ‘Ze voelde zich gekwetst en diep beledigd dat ik dacht dat ze even laf was als ik. “Wie geeft jou het recht te denken dat ik die vrouw niet in huis had gehaald? Een vrouw die jou een afscheid wil besparen durft veel te dragen. Dat is een moedig en eerlijk mens. Daar kan ik beter mee leven dan met jou.”’
Drie vaders
De vader in Six Feet Under, die begrafenisondernemer was, blijkt zich af en toe te hebben teruggetrokken in een geheime kamer. Een van zijn zonen ontdekt dat na zijn dood. Hij rookte weed in die kamer, draaide platen, ontving mensen. Eerst is de zoon verbaasd. De veelkantigheid van zijn vader verwart hem. Was die man wel wie hij leek te zijn. Er is sprake van opkomende boosheid. Hij heeft me voor de gek gehouden, denkt de zoon. Dan slaat de ontroering toe. De raadselachtigheid tovert een mens van vlees en bloed tevoorschijn.
Jean-Claude Romand leek nooit een raadsel. Hij was arts bij de Wereld Gezondheidsorganisatie in Genève met een mooi huis, een liefhebbende vrouw, twee schatten van kinderen en ook nog een maîtresse. Hij is een gezien man.
Dan op een zaterdag, begin 1993, vermoordt hij zijn vrouw en kinderen, zijn ouders en de hond. Hij probeert zelfmoord te plegen. Maar halfslachtig. Alsof hij er niet in gelooft. Maar waarin geloofde hij wel?
Zijn leven blijkt één grote leugen te zijn geweest. Hij was geen arts, hij deed alsof. Hij is door de medicijnenjaren gehobbeld zonder examens te doen. Hij kende overigens de stof wel. En al die jaren dat hij zogenaamd arts was heeft hij lezend op parkeerplaatsen doorgebracht, of wandelend in de bergen. Geld verwierf hij door inkomsten van vrienden en bekenden te beleggen. Maar de bodem van de schatkist kwam in zicht, ontmaskering dreigde. En toen betrapte iemand hem op een leugentje...
In het boek De tegenstander wordt het leven van Jean-Claude Romand beschreven. Het is een angstaanjagende opsomming van feiten, die onverlet laten dat een essentiële vraag onbeantwoord blijft: waarom verzon Romand een leven, hoe kwam die depressie, zo groot als een zwerfsteen in zijn systeem, wat zag hij als hij in zichzelf afdaalde, of werd het hem dan zwart voor de ogen?
Het leven van mijn vader hing aan elkaar van de leugens. Hij was epilepticus, hij viel vaak, ooit tussen een perron en een trein. Over dat vallen verzon hij leugens. Leugens die zo doorzichtig waren dat mijn moeder binnen een paar minuten verbeten de ware toedracht achterhaalde. Denk aan hoe een vogel een worm uit de grond trekt.
Maar ze achterhaalde niet alles. Lange tijd nam mijn vader een paar boterhammen extra mee naar de fabriek waar hij werkte. Ik hoorde na zijn tragische dood dat hij ze aan een vrouw gaf met wie hij werkte - ze lunchten samen op een bankje. En spraken. Waarover weet ik niet.
Werk
Het was of ik een vertrouwde ruimte betrad. Alleen het allernoodzakelijkste stond er. Een tafel. Twee stoelen. Er was een keukentje waar nooit gekookt werd. In de andere kamer zou wel een bed staan. Waarschijnlijk hing daar zijn pyjama aan een knaapje aan de muur, zoals ik het gezien had in een andere woning, die als twee druppels water op deze leek.
Daar woonde een Indische man die ik had opgezocht voor een reportage over de laatste bezoekers van een Haags badhuis, nu meer dan tien jaar geleden.
Die laatste bezoekers bleken zonder uitzondering mensen te zijn die buiten de boot waren gevallen. De Indische man misschien nog het minst. Hij bleef hoop op een baan houden, vertelde hij. Magazijnbediende bijvoorbeeld. Vroeger - het leek een vorig leven - had hij in een bedrijf koffie en thee rondgebracht. Dat was een mooie baan geweest.
Na een paar keer praten in de hal van het badhuis kon ik bij hem thuis komen. Liefst eind van de middag, als hij terug was van de banenjacht. Die jacht begon elke dag na een douche in het badhuis. In de hal hing een telefoon waarmee hij het arbeidsbureau belde om te informeren naar werk als magazijnbediende.
Niet vaak had ik zo’n schaars gemeubileerd huis gezien. Een huis dat nooit terugsprak. Wat misschien maar beter was. De Indische man kletste honderduit over zijn kansen op werk. Morgen moest hij het arbeidsbureau terugbellen. Had hij dat al verteld? Het klonk opgewekt, maar hij keek dof. Toen ik weer op straat stond begon het me te dagen: waarschijnlijk kwam hij nooit verder dan de telefoniste van het arbeidsbureau, die hem allang niet meer doorverbond, en lag zijn dossier al jaren in een la.
En nu stond ik weer in zo’n kamer. Ditmaal in Amsterdam. Uitgenodigd door een man die me zijn gedichten wilde laten lezen. Nee, hij kon ze niet opsturen, ik moest langskomen.
Ik dronk een kopje thee met hem en probeerde me voor te stellen hoe hij zijn dagen sleet. En dacht aan de Indische man uit Den Haag, die als een mier zonder mierenhoop door de stad had gelopen, dag in dag uit. Het soort mannen dat je op zomeravonden wel bij een bushalte ziet drentelen. Nooit wachtend op een bus.
Mijn gastheer vertelde intussen hoe hij elke dag door de stad liep, liefst door het park, als het weer het toeliet. Hij beschouwde dat als zijn werk, zo bleek.
Wat hij dan deed wilde ik weten.
Hij liep achter eenzame mensen, zei hij. Waarom? Dat mocht hij me niet vertellen.
Kerktorens
Als ik haar aardappelpannenkoekjes niet lustte zei mijn grootmoeder dat haar vader vroeger op zaterdag een haring meenam, die dan onder twaalf gelukkige kinderen werd verdeeld. Daar bleef het bij. Hoe vriendelijk ze ook was, verdere vragen bleven onbeantwoord. Feitelijk heeft zij mij opgevoed. Wat ik van haar verleden weet kwam voort uit die opvoeding.
Als ze kwaad werd ging ze Duits praten, hoewel ze al sinds 1919 in Nederland woonde. Ze kwam uit Breslau (nu Wroclaw), uit een groot gezin.
Ik mocht mee naar de jaarlijkse familiehereniging in Duitsland, maar ook daar werd ik niet veel wijzer. Ik zag haar zussen, die ook op jonge leeftijd waren vertrokken, en haar broers die tijdens de oorlog aan verschillende fronten hadden gevochten. Ze praatten met elkaar. Maar hoe jong ik ook was, ik begreep dat ze stuk voor stuk monologen afstaken en dat deze familie nooit meer een gemeenschappelijk verhaal zou hebben.
Er was ook animositeit, die ik vaak niet kon volgen. Zo kwam mijn grootmoeder eens na twee dagen alweer terug van een bezoek aan haar oudste broer in Hamburg dat twee weken had moeten duren.
Ze vertelde alleen dat ze op de heenweg alle kerktorens had geteld en op de terugweg ook.
Na haar dood kwamen die kerktorens terug. Ik hoorde van een vriend van de familie het verhaal van haar eerste reis naar Nederland. Ze was twaalf, en bang. Had in de trein gezeten met op haar schoot een karton met haar naam zodat de Haagse werkgevers - ze kwam als dienstmeisje - haar in de reizigersmenigte konden herkennen.
En ze had de tijd gedood met het tellen van kerktorens.
De oester
Mijn buurmeisje speelt in de tuin met lego. Ik hoor een personage ontstaan: 'Kom jij de trap maar af meisje. Wat kun je dat goed!'
Ik denk aan Youp van 't Hek, die uit een groot gezin komt; het was moeilijk de aandacht van de anderen te vangen. Dus verzon hij een vriendje met wie hij avonturen beleefde. Tot de anderen vragen gingen stellen. Waar dat vriendje dan wel woonde? En waarom kwam het vriendje nooit eens over de vloer?
Youp werd gered door zijn moeder. Ze vroeg of hij haar wilde laten zien waar het vriendje woonde. Ze gingen op pad, maar al snel stond hij weer met z'n mond vol tanden.
Toen redde zijn moeder hem voor de tweede keer. 'Weet je,' zei ze, 'ik denk dat je vriendje verhuisd is.'
De Amerikaanse schrijver Donald Antrim schreef een boek over zijn alcoholistische, knettergekke moeder. Daarin gaf hij een geheim prijs dat hij lang had gekoesterd: sinds haar dood praatte hij tegen haar.
Ik denk aan mijn eigen knettergekke moeder. Als ze dacht dat ze alleen in huis was liep ze neurotisch poetsend door de kamer en stak monologen af tegen de hond. Het was altijd mijn vader die het in die verhalen moest ontgelden.
Een paar keer per jaar denk ik dat ik mijn vader zie. Jaren geleden kwam hij tragisch aan zijn eind.
Meestal steekt hij ergens in Amsterdam een straat over, waarbij hij vrolijk uit zijn ogen kijkt.
Aan de vooravond van koninginnedag zag ik hem op een terras zitten. Hij, bij leven en welzijn een oester, voerde het hoogste woord.
Elvis
Het Amerikaanse platteland. Truman Capote beschrijft hoe hij na een feest opeens moederziel alleen onder de sterren staat. Gelukkig brandt in de verte licht. Na een korte wandeling staat hij voor een huis. Er wordt opengedaan door een vriendelijke oude vrouw die hem onbevreesd aankijkt.
Ze deed me aan mijn grootvader denken. Die woonde midden in een bos en was voor de duvel niet bang. Er werd bij hem ook wel 'ns midden in de nacht gebeld, door een verdwaalde zigeuner of een landloper. Hij deed dan meteen open. Zelfs zonder het ganglicht aan te doen. Zijn vertrouwen in de wereld was groot, misschien omdat hij in zijn dooie eentje leefde.
De oude vrouw nu, vroeg Truman Capote of hij binnen wilde komen. Ze aten samen en spraken over de boeken die ze mooi vond. Ook zij woonde alleen. De gast kon blijven slapen. Maar voor hij naar de logeerkamer ging wilde ze hem nog iets laten zien. Ze gingen naar de keuken, waar een vrieskist stond. Ze opende hem en gunde de schrijver een blik op de inhoud.
Ze hield van katten, zei ze, ze had al veel katten gehad. En telkens als er een kat was gestorven had ze het dier in de vrieskist gestopt. Om nog geen afscheid te hoeven nemen, zo veel hield ze van haar katten.
Merkwaardig. Maar hoe merkwaardig eigenlijk?
Ik logeerde als kind wel eens bij een oudere dame, die als anders dan anderen te boek stond. Ze was kinderloos, had nooit een man gehad; nooit kunnen krijgen, zeiden de anderen. Maar het verlangen was groot, dat zag je als je een blik in haar slaapkamer wierp. Elvis, Elvis, Elvis.
Toen ik dit verhaal nog niet zo lang geleden aan een andere oudere vrouw vertelde - en over dat verlangen begon - keek ze me meewarig aan en zei: 'Ze wilde helemaal geen man en geen kinderen, ze wilde alleen zijn - Elvis was haar zandzak.'
Abel
Het sneeuwde. Op de kade bewoog een man in een korte broek. Hij danste. Maar dat zag ik later pas. Toen ik hem aansprak zei hij dat hij het niet koud had. Hij werkte elke avond aan zijn choreografie.
Hij sliep in een busje op een industrieterrein, maar met andere zwervers wilde hij niets te maken hebben. Dat waren klagers. Met instanties wilde hij ook niets te maken hebben: die wilden dat je klaagde.
Sindsdien sprak ik hem af en toe. Meestal had hij een verhaal. Bijvoorbeeld hoe ze hem in een huis hadden willen stoppen.
Soms sprak hij maar één zin. Toen op een avond een vliegtuig overvloog: ‘Het zou kunnen dat mijn zus daar in zit.’
Toen zag ik hem lange tijd niet - een halfjaar wel. En opeens was hij er weer. Gebogen raasde hij door een straat, zijn snelheid verried speedgebruik, zijn mond was een bloederige grot, op mijn begroeting reageerde hij niet.
Niet lang daarna klampte een ambtenaar in buitendienst me aan. Ze wist dat hij contact niet op prijs stelde, maar nu was alle contact verbroken. Hij was spoorloos.
Ik zei dat ik haar niet kon helpen en dat het woord spoorloos in zijn verband weinig betekende.
Sindsdien heb ik hem nog één keer gezien. Hij was indertijd in elkaar geslagen, zei hij, maar hij wenste geen woord vuil te maken aan de daders. Hij had een nieuw gebit.
Eén keer heb ik hem naar zijn verleden gevraagd. Dat was toen ik nog niet wist dat zijn leven een dans moest worden.
‘Ken je de film Abel?’ vroeg hij.
‘Ja.’
‘Ik ben Abel.’
Lied
Dorpen bestaan uit geheimen.
In mijn dorp woonde een man van de spoorwegen die na zijn pensionering begon te drinken. Hij kon nu niets anders bedenken dan de hele dag voor het raam zitten en over de weilanden naar de spoorwegovergang turen, die een kilometer verderop lag. ’s Avonds zag hij niets meer - dan begon hij te drinken. En als hij dronken was sloeg hij zijn vrouw. Iedereen wist het, niemand zei er iets over.
Ik herinner me dat een nieuwkomer in het dorp op een boerenbruiloft eens een boer aansprak met de woorden ‘zo, dus jij bent die gierigaard’. Hij schond een code. Er zijn geheimen die iedereen kent maar waarover je niet spreekt. Zij zijn het cement van het dorp.
Tijdens een Oud & Nieuw belandde er vuurwerk op zijn rieten dak.
Dezer dagen heb ik drukproeven van een nieuw boek van journalist Dick Wittenberg en fotograaf Jan Banning gelezen: Binnen is het donker, buiten is het licht. Het speelt zich af in een dorp in Malawi. Ook dat dorp kent geheimen, maar het verschil met mijn dorp is dat ze niet worden gedeeld. Hoe naakter het bestaan, hoe eenzamer de geheimen.
Wittenberg schrijft: ‘“Er zijn zo veel geheimen in het dorp die nooit mogen worden onthuld,” zegt de dansende oude vrouw. Ze zit nu bijna met haar rug naar me toe. Ze is tot het uiterste gegaan bij het beantwoorden van mijn vragen. Ze zet een lied in dat ze bij begrafenissen zingt.
Vertel je geheim. Je staat aan de rand van je graf. Het lucht je op. Nee, bij nader inzien, neem je geheim liever mee. Je hebt het al zo lang getorst. Zadel er ons niet mee op.’
Terras
Ik herkende hem aan zijn hoed. Die draagt hij nog steeds. Hij zat alleen aan een tafel op een terras en richtte het woord tot de andere terraszitters.
Ik dacht aan de eerste keer dat ik hem sprak. Aan het bizarre verhaal dat hij me toen vertelde. Hij werd gebeld door zijn moeder, die in Oostenrijk woonde. Ze vroeg hem of hij haar wilde helpen, ze wilde zelfmoord plegen.
Hij reisde naar Oostenrijk en sprak met zijn moeder. Hij gaf haar zijn winterjas en raadde haar aan die als hoofdkussen op de rails te leggen. Ze vertrok, hij wachtte in haar huis. Toen hij de trein hoorde voorbijkomen belde hij de politie.
Ik heb geprobeerd me voor te stellen hoe hij daar zat te wachten in die kamer, hoe hij daarna de politie te woord stond. Het kan zijn dat ze hem eerst verdachten. Hij had een meer dan beroerde jeugd gehad. De schijn was tegen hem. Hij wist dat.
Toen ik hem voor het eerst sprak was zijn vrouw al verdwenen. Hij had dat bij de politie gemeld en werd verdacht. Met die verdenking speelde hij, als een kat met een dode muis. Hij had er plezier in uit te leggen hoe makkelijk je iemand van de aardbol kon duwen, zonder een spoor na te laten. Tenslotte werd hij ontmaskerd, jaren later. Hij was inmiddels verhuisd, nieuwe bezitters vonden in de tuin resten van de vrouw.
Hij ging de gevangenis in.
En nu zat hij daar, op dat terras. Zonder dat iemand van de terraszitters ook maar iets vermoedde. Had hij al die jaren op z’n ontmaskering zitten wachten? Wat er ook aan het licht is gekomen, niet zijn geheim.
Ik fietste verder.
Tweeling
Luc en Thijs zijn tweelingen, zes jaar oud. Thijs is de rappe van de twee. Eigenlijk zou hij het liefst altijd naar school gaan. Luc blijft liever thuis.
Thijs dient je meteen van repliek, Luc is meer beschouwelijk van aard. Zijn denken lijkt op dat van Winnie de Pooh, hij cirkelt om een kwestie heen, begrijpt het niet helemaal en zegt dan iets wat tot nadenken stemt. Zijn denken is groter dan hij.
Zo zit er in zijn klas een jongen die twee moeders heeft. Voor hem hoeft dat niet, twee moeders, zegt hij. ‘Ik denk dat eentje genoeg is om mij liefde te geven.’ Als ik hem vraag waarom, kijkt hij me berustend aan en zegt: ‘Laat ook maar.’
Thijs heeft intussen een waarschuwing op het wegdek ontcijferd en vraagt zich af waarom honden in deze buurt niet op straat mogen poepen: honden kunnen toch niet lezen! Hij kijkt me vrolijk aan. Zíjn denken is onder controle.
Zaterdag gingen mijn vrouw en ik met het tweetal naar het dolfinarium. Thijs kon het geluid van dolfijnen prachtig nadoen maar vroeg zich af hoe je die taal zou kunnen ontcijferen. Waarna zich een gesprek ontspon over geheimen.
Hij had wel geheimen, zei Thijs, maar die kon hij me niet vertellen. Zoals die dolfijnen met elkaar praatten zonder dat wij het begrijpen, zei hij, zo had hij geheimen met zijn broertje.
Dat was wat hij zei - met veel tussenpauzen en hardop denken. Ik was er graag op doorgegaan, maar ik moest naar een boot in de speeltuin waar zijn broertje op dat moment voor consternatie zorgde. Hij brulde door een megafoon: ‘Alle idioten aan bakboord.’
Morgensterren
Evert Fukkink is een antiquaar die niet terugdeinst voor boeken die bij de vuilnis zijn gevonden. Soms worden ze hem aangeboden door morgensterren. Hij spreekt dan over ‘mijn contacten’. Ook zelf heeft hij zijn ogen niet in de zak als hij door de stad fietst.
Op een dag reed hij langs een container waar boeken uitstaken. Er lagen ook vuilniszakken in vol cahiers. Fukkink nam zoveel mogelijk van die vuilniszakken mee. Net op tijd: vijf minuten later werd de container in de lucht getild.
’s Avonds las hij in de cahiers, in zijn kleine woning boven het antiquariaat naast de Amsterdamse Haarlemmerpoort. Er staat daar een bed en niet veel anders. Behalve tienduizenden boeken. Het beste gezelschap dat Fukkink zich kan denken: ze eten niets.
De cahiers die hij had meegenomen waren dicht beschreven. Flarden van een levensverhaal, cultuurhistorische notities. Hij realiseerde zich dat hij maar een deel bezat van een enorm pak van Sjaalman.
‘Bijna niets was er meer over van een heel leven, geleefd door een man die een paar straten verderop woonde. Misschien was hij wel eens in de winkel geweest. Gelukkig heb ik een deel van dat leven veilig gesteld.’
Al lezend ontdekte hij dat de schrijver in de tachtig moest zijn geweest toen hij stierf. Eens had hij in God geloofd, toen was hij links geworden. Zijn leven lang had hij een grote belangstelling gehad voor de wereld om hem heen - die wereld kon ook aan de andere kant van een oceaan liggen.
Hoe meer Fukkink las hoe geheimzinniger dat leven werd. Er waren hiaten. Te veel hiaten.
Fukkink dacht terug aan dat moment op straat. Nadat de container in de lucht was getild had hij gezien hoe alle zakken die hij niet had kunnen redden waren geplet tot een geheim dat nooit meer viel te ontraadselen.
Of? Evert Fukkink geeft niet vlug op.
De koopman
Kloppers woonde in zijn kippenhok.
Wassink bivakkeerde in een caravan naast zijn boerderij die vooral bewoond werd door regen en wind.
Gert-Jan Lut sliep in een kruiwagen. Naar men zei at hij elke dag een paar eieren en roggebrood. Wassen deed hij zichzelf al lang niet meer.
Ze zijn nu dood.
Leefden ze nog dan hadden ze in zo'n lollig televisieprogramma gekund. Maar misschien hadden ze de televisie ook wel van hun erf gejaagd.
Toen Gert-Jan Lut tegen de honderd liep en stervende was kwam er een wijkverpleegster. Ze probeerde zijn gezicht, dat wel een landkaart van de streek leek, schoon te maken. Nooit iemand harder horen schreeuwen dan Gert-Jan. Hij stierf met zijn klompen aan.
Ik heb me nooit afgevraagd waarom ze leefden zoals ze deden. Ze waren er. Antwoorden zonder vragen.
In het geval van de koopman lag dat anders. Een lange, magere man, altijd in het zwart gekleed. Wilde een boer uit het dorp koeien verkopen dan kwam hij aangereden op zijn mooie herenfiets. Na een korte onderhandeling kocht hij de koeien. Die bleven dan een tijdje in het weiland van de vorige eigenaar staan totdat de koopman ze weer doorverkocht.
Ik heb me altijd afgevraagd waar hij woonde, mijn grootvader, die mij opvoedde, heeft het hem eens gevraagd. Er kwam geen antwoord. We tastten in het duister. Zijn verleden, zijn leven - het bleven geheimen.
Even buiten het dorp lag de begraafplaats. Op een ochtend wilde de doodgraver een kist halen die klaarstond in zijn werkplaats. Toen hij de deksel van de kist nam stierf hij bijna van angst: daar lag de koopman. Hij sliep.
Vanaf die dag werd de koopman door nog meer geheimen omgeven.
Berggeheim
Nog nooit in m’n leven had ik op ski’s gestaan. Toen ik de eerste dag naar de bergtop keek brak het angstzweet me uit. Zou ik binnen een paar dagen zo bedreven zijn dat ik zonder beenbreuken in het dal kon aankomen? Het leek onmogelijk.
Mijn buurman vertelde me dat zijn skivakantie jaren geleden in het water viel omdat hij elke nacht werd geplaagd door dromen. ’s Nachts skiede hij door. In elke droom daalde hij levensgevaarlijk af en ’s ochtends werd hij uitgeput wakker.
Ik begon aan de lessen en hield me groot. Op momenten van overmoed - waar ik altijd last van krijg als ik iets niet kan - riep ik dat ik technisch gezien beslist een talent was. De anderen lieten me praten.
Elke avond ging ik uitgeput naar het dorp, om na het eten half bewusteloos op bed te vallen. En eenmaal in slaap begon het feest: de eerste nacht moest ik schansspringen, de tweede werd ik aan een parachute gelanceerd, in de derde bogen de bergen zich naar me toe en fluisterden onheilspellende woorden.
Overdag probeerde ik de nachtmerries van me af te schudden zoals een hond water. Dat lukte redelijk, alleen werd m’n gedrag beslist kinderachtiger. Dat was de schuld van de bergen die je klein maken, denk ik, en licht ontoerekeningsvatbaar. Je legt een voorraad geniepige geheimen vast.
Ik kende dat verschijnsel uit de alpinismeliteratuur. Hoog in de bergen verschrompelen de zielen van de klimmers zó dat ze de raarste kuren gaan vertonen. Ze stelen dan bijvoorbeeld snoepgoed van andere klimmers, of erger: proviand. Of nog erger: ze passeren een alpinist die in de sneeuw is gestrand en laten hem aan zijn lot over.
Ik geef mijn berggeheim nog niet prijs.
De duif, het steentje
De bovenbuurman van mijn vriend was een merkwaardige man. Hij kwam oorspronkelijk uit Duitsland en was bankbediende geweest bij een grote hoofdstedelijke bank. Ogenschijnlijk had hij geen vrienden. Hij verliet zijn huis twee keer per dag. Een keer om boodschappen te doen, een keer om een wandeling te maken. We fantaseerden wel ‘ns over zijn bestaan, we dachten namelijk dat hij met een geheim rondliep. Mijn vriend fantaseerde dat hij in de oorlog bij de SS was geweest en gruwelijke moorden op zijn geweten had.
Toen ik later de novelle 'De duif' van Patrick Susskind las moest ik aan de bovenbuurman denken. De ouders van de hoofdpersoon in dat boek, Jonathan Noel, zijn in de oorlog gedeporteerd. Zijn vrouw heeft hem verlaten en hij vertrekt naar Parijs, op zoek naar een leven zonder gebeurtenissen. Dis leven hoopt hij te bereiken door bewaker bij een bank te worden en te gaan wonen op een eenvoudige dienstbodekamer die hij eens denkt te kunnen kopen. Door een eenvoudige gebeurtenis komt zijn kleine wereld op z'n kop te staan. Susskind beschrijft dat indringend.
Het waren ook eenvoudige gebeurtenissen die de bovenbuurman van mijn vriend overstuur maakten. Ik was er getuige van. Op een zondagmiddag zaten we op het dak van het huis, de zon scheen. Mijn vriend en ik keken uit over de stad en gooiden achteloos kiezelsteentjes de lucht in. Een van die steentjes belandde in de schoorsteen en van daar - blijkbaar - in een pan eten van de buurman. Door het dolle kwam hij naar boven gestormd. Alsof er een bom was gevallen en geen steentje. Pas later begreep ik waarom hij zijn bestaan zo rimpelloos wilde houden. Dat steentje was inderdaad aangekomen als een bom.
Waarom dook hij onder in zijn eigen leven? Had het inderdaad iets met de oorlog te maken, zoals in het geval van Jonathan Noel?
Mijn vriend heeft een keer wat langer met hem kunnen praten. Elke zomer ging hij namelijk een week weg, nooit een dag langer. Ze kwamen elkaar tegen op de trap en mijn vriend vroeg of hij al op vakantie was geweest. Vakantie nee, zo zou hij het niet willen noemen, maar hij ging wel elk jaar een week naar hetzelfde dal in Oostenrijk, al vele jaren. Hij zou foto's laten zien.
Het waren verbluffende foto's, allemaal genomen vanuit een open raam. Op elke foto stond een passerende trein. Die foto's waren volgens mijn vriend de sleutel tot zijn geheim alleen, waar was het slot?
Het geheim
Ik houd van kunstenaars die niet reizen, kunstenaars die van hun achtertuin de wereld weten te maken. De Tsjechische fotograaf Josef Sudek (1896-1976) is zo iemand. Sudek legde Praag vast zoals Atget Parijs. Voor de eeuwigheid.
Afgelopen weekeinde kwam ik hem weer tegen, in een boek van de Ierse schrijver John Banville over Praag. Banville is bij iemand op bezoek die hem foto’s laat zien van Sudek.
Hij schrijft: ‘De professor haalde uit een la van zijn bureau een muziektas, precies zo een als mijn zus gebruikte toen ze pianoles had in onze jeugd, zag ik met een schok. Een oude, leren tas met een zilverkleurige metalen sluiting in de vorm van een lange, dunne halter.’
‘Hij legde de tas plat op de koffietafel en deed hem open. Er zat een stapeltje foto’s in, een stuk of dertig, zorgvuldig in vloeipapier gewikkeld. Misschien kwam het door de wijn bij het eten, en nu de likeur, maar voor mij had het moment iets religieus, iets gewijds. En waarom niet? Echte kunst is nu eenmaal een ware aanwezigheid.’
Ik las ook dat Sudek tijdens de Eerste Wereldoorlog aan het Italiaanse front vocht. Eén keer in zijn leven ging hij daarna op vakantie, hij wilde de plek terugzien waar hij zijn rechterarm verloor: ‘Tegen zonsopgang, ver buiten de stad, op het veld, dat baadde in de dauw, vond ik eindelijk de plaats. Maar mijn arm was er niet...’
Ik zag hem daar lopen. Ik dacht aan de oorlog, aan het moment dat Sudek getroffen werd.
Ik zag hem vervolgens teruggaan naar de stad, naar het pension waar hij verbleef.
Hij vertelde niemand wat hij had gedaan; koesterde zijn wrede geheim.
Jezus
Marcel Proust doopte een koekje in de thee en het verleden ontvouwde zich. Ook dat wat goed verscholen lag. Sommige briefkaarten zijn zulke koekjes. Op een van de mooiste die ik tot nu toe zag staat: 'Ik vind het leuk om dode dieren te verzamelen.'
Ik las het en daar stond Jezus weer voor me. Hij kwam niet veel in het dorp, ik heb hem maar een paar keer gezien. Ik was bang voor de man, al was het alleen maar omdat hij zijn broek hooghield met een stuk touw. Hij woonde in een groot huis aan de rand van het bos. Een villa die er niet florissant bij lag, maar toch, een villa, en door die combinatie - villa en touw - werd ik nog banger.
Op zijn erf lagen tientallen fietsen, karkassen van fietsen. En schoenen, veel schoenen. Ik wist dat hij gelovig was, hij koesterde een eigen geloof waar hij met niemand in het dorp over sprak. Wel met anderen: hij had, zo ging het gerucht, een paar honderd volgelingen. De fietsen en schoenen waren bestemd voor zijn volgelingen, want Jezus, zoals we hem noemden, leefde in de stellige overtuiging dat er een nieuwe zondvloed zou komen die alleen hem en zijn geestverwanten zou sparen.
Ik heb eens een nachtmerrie gehad waarin ik Jezus en zijn volk op hun stukke schoenen en fietsen zag wegvluchten voor een vloedgolf die mij daarna verzwolg.
Soms vroeg hij bij de houtzagerij om overgebleven stukken hout. We wisten dat hij dieren opzette, we dachten dat hij daar geld mee verdiende en trokken de conclusie dat het hout daarvoor nodig was.
En toen opeens kwam Jezus in het nieuws. In 1982 was hij landelijk nieuws. Met open monden keken we naar het Journaal en zagen hoe vrachtwagens vol opgezette dieren werden geladen. Waaronder tijgers en leeuwen, die Jezus via duistere connecties had verkregen. Het bericht in de krant was nauwelijks te bevatten:
9 april - De Rijkspolitie van Brummen heeft woensdag, achter een villa aan de Imbosweg in Eerbeek, naar schatting tussen de 100.000 en 200.000 geprepareerde dieren gevonden in schuren en ondergrondse bunkers. Deze gruwelijke, voor de wetenschap wellicht interessante, vondst is eigendom van de 72-jarige evangelist Joannes Roeleveld, die als een moderne Noach van vele soorten dieren mannetjes en vrouwtjes heeft verzameld, zodat hij de 'dag des oordeels' met zijn - naar eigen zeggen - 600 volgelingen zou kunnen overleven.
Ik vind het leuk om dode dieren te verzamelen - in die zin klonk opeens de echo van de Jezus van Eerbeek.
Eerst dit.
Ik kwam in een paar weblogs misverstanden over Briefgeheimen tegen. Zo meende een blogger dat wij Amerikaanse kaarten hebben ‘vertaald’, hoe kwamen we anders zo snel aan kaarten? Een ander vond dit Nederlandse project goedkoop jatwerk.
De verklaring: eind vorig jaar heeft uitgeverij Nieuw Amsterdam duizenden kaarten laten drukken, en die hebben we uitgedeeld. Zo konden we een schatkamer aanleggen nog voor we officieel begonnen met de website en in nrc.next.
Het ‘jatwerk’: wij verbloemen niet dat dit project niet door ons is bedacht. Overigens is ook Frank Warren niet de bedenker van het project, het komt uit de conceptuele kunst. Zelf denk ik dat de eerste grottekeningen al briefgeheimen waren.
Verbazingwekkend intussen hoe creatief veel mensen zijn - er komen prachtig vormgegeven kaarten binnen, naar die oorspronkelijkheid waren we op zoek.
Nu een verhaal.
Ik bekeek de kaarten namelijk gistermiddag nog eens en toen viel het me op dat ik maar zo weinig ‘tics’ tegen kwam, kleine bezweringsrituelen. En dacht toen: hij en ik zullen toch niet de enigen zijn?
De deur
Hij zat in het vliegtuig, voor hem wiebelde een kaal hoofd. Durf ik er een tikje op te geven, vroeg hij zich af. Hij durfde het en mompelde sorry toen het hoofd zich verbaasd omdraaide. Nu nog een keer, dacht hij, anders telt dat eerste tikje niet, dus raakte hij het hoofd tien minuten later nog eens aan. De man werd boos: wat dit te betekenen had?
Een sorry voldeed niet meer, hij bedacht een verhaal over hoe hij bij het verzitten tot twee keer toe naar voren was geschoten en per ongeluk tikjes had uitgedeeld. De man nam er nog net genoegen mee. Toen hij daarna - binnen een halfuur - nog eens het kale hoofd aanraakte werd de man woedend en brulde naar een steward dat die gek achter hem moest verhuizen, anders stond hij niet voor zichzelf in.
Welkom in de wereld van de Amerikaanse schrijver David Sedaris, die al jaren in Parijs woont, niet in de laatste plaats omdat hij in de lichtstad op meer plekken kan roken dan in willekeurig welke Amerikaanse stad. En roken doet hij, deze verzameling dwangneuroses en tics.
Toen we tijdens onze eerste ontmoeting op een tafel afliepen en ik tegen hem zei dat ik rechts wilde zitten, eigenlijk moest zitten, kreeg ik een hand, en stelde hij vrolijk vast dat het niet anders kon of ik was een lotgenoot.
‘Vertel,’ zei hij, terwijl het toch de bedoeling was dat híj tijdens dit interview zou vertellen.
Ik heb hem toen een verhaal verteld dat ik kundig geheim had weten te houden, vele jaren. Zo’n tien jaar heb ik in een woonhuis annex winkel gewoond. Elke ochtend als ik de deur uitging keerde ik na een meter of tien op m’n schreden terug om te controleren of die deur wel goed op slot zat. Soms opende ik hem nog een keer, draaide het slot weer om, duwde, en liep de straat weer in. Om dan opnieuw op mijn schreden terug te keren.
Ik werd er gek van. Maar zat in de greep van dit bezweringsritueel.
Tot op een dag een voorbijganger - die ik niet kende - bleef staan kijken. Hij zei niets, hij keek alleen maar. Dreigend vond ik. Ik zag dat hij een mobiele telefoon had gepakt. In een flits schoot mijn dwangneurose door een barrière. Ik zag mezelf op het politiebureau zitten. ‘Hoezo uw eigen huis?’
Ik vreesde de cel. Ik had in die tijd ook last van claustrofobie.
Weduwe
Iemand die ik ken heeft een theorie bedacht, de theorie van de Duitse weduwe. Als je een lange treinreis door Duitsland maakt, is de kans groot dat op een bepaald moment een vrouw op leeftijd tegenover je gaat zitten. Ze heeft een grote koffer bij zich die ze net kan tillen. Ze heeft een vriendelijk gezicht.
Na niet al te lange tijd tovert ze een zakje boterhammen tevoorschijn en vraagt of jij ook iets wilt eten. Dit is ongeacht het antwoord het moment waarop zich een gesprek ontvouwt, een gesprek dat langzamerhand een monoloog van haar wordt.
Het is een mooie, eenvoudige theorie, die klopt. De eerste keer dat ik door Duitsland reisde, twintig jaar geleden, heb ik direct al mijn eerste Duitse weduwe ontmoet. Een halfuur met haar gepraat en minstens een uur naar haar verhaal geluisterd. Ik kreeg intussen een boterham met worst en een beker koffie.
Ze was op weg naar Hamburg waar een oude vriend van haar woonde. Ze had die man lang niet gezien, hoewel ze af en toe – een paar keer per jaar – met elkaar belden. Dat ze hem nu voor het eerst sinds tientallen jaren weer in levenden lijve ontmoette had alles te maken met de dood van haar man, nog niet zo lang geleden.
En toen begon de monoloog. Ze was begin twintig toen de oorlog begon, en niet lang daarvoor getrouwd met een man die werd opgeroepen en die ze vervolgens pas drie jaar na de oorlog weer zag toen hij terugkwam uit een Siberisch kamp. Ik herkende hem eerst niet eens, zei ze.
Tijdens de oorlogsjaren was ze bevriend met de man uit Hamburg, zo vertelde ze – en liet in het midden of hij haar minnaar was geweest. Maar zo in het midden dat het antwoord wel ‘ja’ moest luiden. Uitvoerig beschreef ze hoe ze elkaar ontmoetten in een lange rij en de uren hadden gedood met zo’n gesprek dat eigenlijk helemaal nergens over gaat. Daarom was ze ook nu nog zo op hem gesteld: hij fladderde door het leven, ook als dat leven soms vreselijk was, begreep ik dat?
Toen haar man terugkwam had ze het contact verbroken, op die paar telefoontjes na. Haar man had ze nooit iets verteld – waarom ook?
‘Ik heb al zestien jaar een buitenechtelijke relatie met iemand die tweeëndertig jaar geleden een buitenechtelijke relatie met mij had’, las ik op de site. Een ogenschijnlijk cryptische zin, maar het geheugen is een hond die gaat liggen waar hij wil en zie, opeens was daar de Duitse weduwe.
Kiemcellen
Eens interviewde ik de schrijfster Judith Herzberg. Het ging over haar toneelwerk. Na afloop van het gesprek vroeg ik haar waar ze op dat moment aan werkte. ‘Ik haal het even,’ zei ze, en kwam korte tijd later terug met een manuscript. ‘Ik ga een doosje maken,’ vertelde ze, ‘waarin kaarten zitten met daarop halve zinnen. En dan is het de bedoeling dat de lezer van die halve zinnen een verhaal maakt. Misschien kan het een gezelschapsspel worden.’
Niet lang daarna zag ik het doosje in een boekwinkel liggen. Een soort pennendoos, vol kaarten. Op de deksel stond: Weet je wat ik ook nooit weet. En op de achterkant las ik: Hoe beschrijf je ravages? Meestal heb je aan een paar woorden genoeg. Dan begrijp je het wel, of nooit. Het zware werk wordt in je hoofd voltooid. Of niet.
Laat ik een paar kaarten citeren:
Vertel dan nog eens dat verhaal
over die oude moeder
die
Je zegt dat ik jouw pijn niet
mee kan voelen je wijst me
hier
Ze wist de weg het beste
in de vreemdste steden
waar
Kiemcellen van verhalen zijn dit. Laat ik nu een klein verhaal vertellen.
Mijn moeder is al haar leven lang een verzameling dwangneurotische tics. Voor ze het huis verlaat controleert ze minstens tien keer of de deur wel op slot zit; vroeger vertelde ze ons op maandag wat we de hele week zouden eten. Als de Donald Duck op woensdag werd bezorgd, lag het vrolijke weekblad binnen een half uur bij het oud vuil.
Niet mee te leven.
Mijn broer en ik dachten dat het wel minder zou worden als ze ouder werd. Maar nee.
Over haar meest merkwaardige, recente tic heb ik een gedicht geschreven:
Terug van vakantie vlooi ik door de post.
Er is een ansichtkaart van mijn moeder.
Sinds de dood van mijn vader
gaat ze elke zomer naar het buitenland.
De Jura, dit jaar.
Dat ligt tegen de Spaanse grens,
had ze gezegd. Ik beaamde dat.
Ik spreek haar niet meer tegen.
Ik bekijk de kaart. Op de voorkant
een dorp in de bergen.
Op de achterkant mijn adres
en een plakkertje waarop ze
een paar woorden heeft getikt
al voor ze vertrok.
Ik zie haar aan de keukentafel zitten,
achter de oude typemachine.
Een beetje bevreesd:
het buitenland blijft het buitenland.
Ze schrijft: 'Alles O.K. hier. Ma.
Frankrijk'.
Nog niet zo lang geleden heb ik wraak genomen. Tijdens een weekendje in zo’n vakantiekamp heb ik haar tasje dat ze al die dagen krampachtig op haar schoot hield tijdens een onbewaakt moment verstopt.
Dit alles nu schoot mij te binnen toen ik die ontroerende briefkaart zag, met recht een kiemcel: ‘Ik was zo boos op mama dat ik stiekem een worm in haar schoen stopte.’
Vuurstenen
Een van mijn favoriete kunstenaars is Sophie Calle. Eens liet ze zich schaduwen door een detective, zonder dat die detective wist dat zijzelf de opdrachtgeefster was.
Ooit werkte ze als kamermeisje in een Venetiaans hotel; nauwgezet legde ze vast hoe de kamers eruitzagen en welke spullen de tijdelijke bewoners bij zich hadden, zodat er - indirect - een portret van hen ontstond. Rudy Kousbroek schreef in NRC Handelsblad een essay over haar werk waarin hij betoogde dat Calle wanhopig en nauwgezet vastlegt hoe wij mensen elkaar als schepen in de nacht passeren.
Ik heb een boekje van Calle dat ik vaak herlees, Het Adresboekje.
Hoe ging dat? Ze vond in Parijs eens een adresboekje op straat. Wat doe je in zo’n geval? Je brengt het naar de politie, of je gooit het in een afvalbak als je een slecht humeur hebt.
Calle deed geen van beide. Ze hield het boekje en wilde precies weten wie de eigenaar - want het was een man - was. Ze belde mensen die in het boekje voorkwamen op en maakte afspraken met ze. Hoe kenden ze hem? Sommige geïnterviewden maakte terloopse opmerkingen, ze hadden de man maar een paar keer ontmoet, of niet eens. Anderen konden meer vertellen.
Zo werd de eigenaar van het boekje van alle kanten belicht, lang en kort. De uitgewerkte interviews verschenen als feuilleton in een Franse krant. Langzaam sloot zich het net rond de eigenaar.
En natuurlijk , het kon niet uitblijven: hij ontdekte waarmee Calle bezig was. Woedend was hij - dat was ik ook geweest, voor minder.
Het antwoord van Calle was groots, ze liet als slotakkoord een foto van zichzelf afdrukken: naakt. De voyeur kon bekeken worden.
Hoe komt het dat ik nooit het gevoel heb dat ik getuige ben van ongewenste intimiteiten als ik dit boekje lees? Ik denk hierom: de man ontsnapt uit het net dat Calle over hem heen gooit, Calle vermoedde dat waarschijnlijk ook toen ze aan het project begon. Hoe dichter we hem naderen, hoe raadselachtiger hij wordt. Een schip in de nacht wordt hij.
Het project Briefgeheimen voltrekt zich in tegenstelling tot het project van Calle in een volstrekt anonieme context. Ik kom nooit te weten wie u, inzender, bent. Toch moest ik vandaag aan Het Adresboekje van Calle denken toen ik de voorlopige oogst van ons project op de website zag. De kaarten zijn vuurstenen voor de verbeelding, net als de verhaaltjes van Calle: de kijker wordt uitgenodigd om wat incompleet is af te maken.
Tegelijkertijd veroorzaakt zo’n vuursteentje iets wonderlijks: hoe meer je te denkt te weten, hoe completer het verhaal dat je bedenkt, hoe raadselachtiger het de kaartenmaker maakt.
Eerst is er de schok der herkenning, dan maakt de fantasie van die schok een raadsel. En dat is een onuitputtelijk verschijnsel.
Blijf insturen.
Glimpen
Ik woonde op ongeveer tien minuten fietsen van m’n lagere school, maar meestal deed ik er veel langer over. Ik stapte namelijk voortdurend af.
Bijvoorbeeld als ik stukken papier in de berm zag liggen. Snippers, een stuk krant, een halve brief.
Al dat papier propte ik in m’n broekzakken.
Pas veel later las ik dat een kunstenaar als Kurt Schwitters ook zo z’n omgeving afschuimde.
Waarom doe je dat toch, vroeg m’n moeder.
Ik bleef het antwoord schuldig, ik verzamelde papier, ik was een verzamelaar.
Ik had een kast vol gevonden bermvoorwerpen.
De collecties verdwenen, er kwamen andere. Zo heb ik een tijdlang fotoalbums gekocht op rommelmarkten, foto’s van mensen uit een andere tijd, een ander land.
Uren heb ik doorgebracht met het bedenken van verhalen bij die foto’s.
Ansichtkaarten kocht ik ook, vooroorlogse liefst, en dan dacht ik na over spaarzame regels als ‘Nog drie dagen voor we naar Wenen gaan, we weten niet wat ons te wachten staat’.
Ik stel u nu voor aan Jason Bitner. Een van de redacteuren van het Amerikaanse FOUND Magazine, dat dagelijks op internet een gevonden voorwerp plaatst, met daarbij de vindplaats en een begeleidend tekstje.
Op een dag vond Bitner een vergeten fotoarchief, met bijna twintigduizend foto’s van inwoners van LaPorte, Indiana, genomen over een periode van enkele decennia.
Hij begon te schikken, tot hij een fotoroman had samengesteld over LaPorte, met personages die serieus, komisch, ontroerd, en vul maar aan, in de camera kijken. Mensen als wij, met dagelijkse zorgen, angsten, geheimen.
Onder de regie van Bitner werden de dozen vol foto’s een veelstemmig verhaal.
PostSecret van de Amerikaan Frank Warren is vergelijkbaar met de projecten van Bitner.
Het idee, dat oorspronkelijk uit de conceptuele kunst komt, is eenvoudig: pak een briefkaart, schrijf een geheim op, geef het vorm.
Als genoeg mensen dat doen ontstaat - met een bijna onzichtbare editor op de achtergrond - een verhaal over onze angsten, onze wensen, onze levens.
Terloops, en belangrijk: discreet.
Glimpen van talloze levens.
Toen ik poëzieredacteur Jasper Henderson van uitgeverij Nieuw Amsterdam hierover vertelde, stelde hij voor dat we ook in Nederland zo’n project zouden beginnen.
En nu is het zover, het wachten is op uw geheim.
Wim Brands
Het verhaal, dat ik las op een Amerikaanse website, lijkt thuis te horen in de categorie broodje aap.
Een echtpaar koopt een huis. Niet lang na de koop ontdekken ze een ruimte achter een boekenkast.
Ze vinden een briefje. Jullie hebben het gevonden, staat er op. En daaronder een verhaaltje.
Het huis wordt geteisterd door schimmel waaronder de levensgevaarlijke toxic black mold.
Het echtpaar denkt het slachtoffer te zijn van een cynische grappenmaker maar schakelt toch een deskundige in.
Die vaststelt dat het huis inderdaad wordt geteisterd door vele schimmelsoorten waaronder levensgevaarlijke. Eigenlijk is het maar het beste om het huis af te breken.
Ik heb gezocht naar berichtgeving over dit voorval. En vond andere verslagen die me aan het twijfelen brachten: toch geen broodje aap?
Zo las ik dat het echtpaar er achterkwam dat een vorige eigenaar het briefje had achtergelaten. Hij huurde de woning, stopte met het betalen van huur toen zijn dochter ziek werd door die toxic black mold, en vertrok uiteindelijk.
Makelaars verkochten het huis vervolgens zonder ook maar iets over die schimmel te vertellen. En het is de vraag of ze op de hoogte waren.
Het is een raadselachtig verhaal. En dat komt door de rol van de vorige bewoner. Waarom verstopte hij dat briefje? Er was geen enkele reden om zo geheimzinnig te doen...
Detroit
De eerste keer dat ik het bord zag dacht ik niets. Toen ik het 's middags op een andere plek in de stad tegenkwam ben ik gestopt. Detroit stond er. Op een verkeersbord in Amsterdam.
Als dit Ierland was zou ik beter om me heen kijken, dichtte K. Schippers een keer in Loosdrecht. De aanduiding Detroit had dat effect. Ik keek opeens beter om me heen in m'n eigen stad. De stad was nieuw. Maar toen ik het Detroitbord de volgende dag ergens anders weer zag haalde ik al m'n schouders op. Er was geen geheim meer.
De borden waren vermoedelijk geplaatst door kunstenaars die vervreemding wilden oproepen. Of reclamemakers die goed naar kunst hadden gekeken: veel kunst eindigt als reclame.
Thuis bladerde ik door een boek gewijd aan beelden die de afgelopen jaren op geheimzinnige wijze in het Amsterdamse stadsbeeld opdoken. Zo is er het zagertje dat op een boomtak staat. En mijn favoriet: de man met de vioolkist in de Marnixstraat. Hij rent om de tram te halen. Elke keer als ik dat beeld passeer word ik even gelukkig, al weet ik niet waarom.
Over de maker van de beelden is veel gespeculeerd. Het Parool bracht zelfs het gerucht dat de koningin - die aan beeldhouwen doet - de maakster is.
Ik denk dat ik weet wie ze gemaakt heeft. Ik verklap zijn naam niet. Hij is al jaren niet meer actief. Toen ik hem vroeg waarom hij nu zijn beelden anoniem als geheimen in de nacht aan de stad schonk, keek kijk me aan en zei: 'Dat weet ik niet'.
Dat zijn de woorden van een kunstenaar wiens beelden me gelukkig maken.
Waarmee ook verklaard is waarom de bedenkers van Detroit me uiteindelijk ergeren: die weten precies wat ze doen.
Een gelukkig 2008.
Darwin
Geheimzinnige verdwijningen blijven de fantasie prikkelen. Ze produceren het ene verhaal na het andere.
De Amerikaanse dichter Weldon Kees was een getalenteerd man, hij speelde jazz, maakte documentaires, schilderde. Mooie gedichten schreef hij ook. En toen werd op een dag zijn auto gevonden bij een brug in San Francisco. Van Kees geen spoor.
Zelfmoord veronderstelde men. Kees was dan wel getalenteerd maar in alles wat hij deed tegelijkertijd net niet echt verschrikkelijk goed. Dat zou hem parten hebben gespeeld.
Ik zag een documentaire over hem, gemaakt door de Engelse bewonderaar Simon Armitage, ook een dichter. In die film kwamen ook mensen aan het woord die zeker wisten dat Kees helemaal geen zelfmoord had gepleegd. Er was zelfs iemand bij die iemand had gesproken die iemand kende die Kees met eigen ogen had gezien, in Mexico.
En onlangs las ik het verhaal van de Engelsman wiens kano was aangespoeld en van wie men vermoedde dat hij was verdronken.
Zijn naam: John Darwin.
Darwin was niet dood, zo bleek later. Hij kon alleen zijn rekeningen niet meer betalen, en verdween in zijn eigen leven. Hij verschool zich in een geheime ruimte die aan zijn slaapkamer grensde. Alleen zijn vrouw wist er van.
Na vele jaren meldde hij zich bij de politie. Zijn vrouw vertelde waarom.
John Darwin kon er niet meer tegen dood te zijn.